Hoofdtekst
Hoe lang het geleden is, dat zij geleefd heeft en verderf heeft uitgezaaid, zal niemand kunnen zeggen. Wel weet menigeen dat ze gestorven is, toen het steenen kruis op 't land van Wezepe werd opgericht - het steenen kruis dat een zondaar rust heeft geschonken na zijn huiveringwekkend leven. - Doch bijna niemand weet, hoe de heks van Lettele ervoor heeft gezorgd dat Pier de roover zijn ziel aan den Duivel heeft verkocht, en omdat er zoveele legendes omtrent het steenen kruis bestaan, kennen slechts enkelen het oudste verhaal, dat Pier den roover onder het steenen kruis ligt begraven.
Pier den roover was een Fries en van een adellijk geslacht, dat hij nooit heeft genoemd, en waar nooit een mensch naar heeft gevraagd. Hij was uit een tijd dat bloed ging om bloed, en de dood het menschdom omringde, als de nacht den avond. Wie dreigde met de geslepenste list en het geslepenste zwaard, was de overwinnaar en hem volgden de raven gelijk trouwe bondgenoten.
Nog niet had Pier zijn ziel aan den Duivel verkocht en de Vijand dezer wereld kwam een avond bij de heks van Lettele, om met haar over den roover te spreken.
"Duizend zielen geef ik voor deze eene", zeide hij. "Hoe boos je ziel ook is, mijn vriendin, ik zou in de hel geen vuur voor je aanleggen, als je mij zijn laatsten adem wist mee te dragen, dat ik dien naar de diepte mocht meeslepen. Heks van Lettele! als je mij zijn ziel in handen weet te spelen, behoef jij voor je zondig leven geen straf te leiden."
Krijschend nam ze haar bezem en liet Satan alleen staan, terwijl ze al medevloog met de zwaaiende wolken. Heur haren sloegen de teere weefsels van den Hemel uiteen en speelsch kaatstebalde ze met twinkelende sterren, zoodat de glans van de lucht niet effen gespreid bleef, maar schuddebotste, en geen mensch, die in den nacht zijn weg had te vinden, de juiste richting meer kon bepalen. Ze maakte van Noord Zuid, van Zuid West en van West Noord - 't Oosten liet ze op zijn plaats omdat anders de zon den volgenden dag niet zou rijzen. Zoover mocht ze niet gaan.
De Duivel schaterde om haar snaaksch bedrijf. Op zee zouden vele schepen verdwalen, tegen de klippen stooten, en vele zielen had hij weder op te schrijven, hola! Zij was zijn genegenheid waard, de heks van Lettele!
Hij tuurde haar nog na, zoolang hij kon bij het flakkerende licht. Als een streep rook, die op 't dak van een huis uit walmt, sluierde ze voort langs den onrustigen glans, tot ze onder den horizion verdween. Een onzichtbare hand begon weder de sterren in haar vroegere stand te plaatsen, en Satan wist, dat den volgenden avond de orde der dingen geheel hersteld zou zijn. Toch lachte hij om de sluwe Heks, die zoo leutig aan haar zware taak was begonnen.
Hij ook vloog heen, om van de verwaaring die zij had aangericht, te profiteeren. Misschien zou Hij nog een oogenblik over de onderneming van de heks hebben nagedacht, indien Hij had geweten, welke moeite zij bij het vervullen van haar plicht zou ondervinden.
Eerst in den vroegen ochtend - aarzelend was de zon ondergegaan, zoekend naar haar dagelijksen weg en verwonderd over het Zuiden, dat verplaatst was - eerst in deze weifelende, lichtschuwe, met strepen nachtroetsel besmeurde schemering naderde de heks den roover.
Hu! zij bestreek zich met zalf. Haar grauwe, verslonste haren werden blond en sierlijk als korenhalmen, haar tanige vingers werden fijn en blank als boekweitaren in de lente, haar oogen lieflijk-bolderik-blauw, haar lippen klaproos-rood, en haar bloote, vuil-bruine voeten heggewinde-wit. Twee kleine kuiltjes, wilderoos-rozig, waren er in haar blozende wangen, en ze tripte als een meisje dat de liefde wil kennen.
Niemand, behalve de Duivel, zou hebben geweten, dat ze de heks van Lettele was. Pier de roover, die haar wachtte, twijfelde er niet aan, dat een jong meisje naderde. Zij moest wel een vreemde zijn, daar zij niet angstig voor hem vluchtte.
Hij trad haar tegemoet, en zijn stem klonk vol ridderlijken eerbied.
"Zoekt gij hier wat?" vroeg hij, "in mijn land, waar geen vrouw durft te komen?"
"En waarom zou ik niet durven komen?" lachte ze uitdagend.
"Mijn hand wordt door het water niet meer blank, maar houdt de kleur van het roode bloed, tot ik sterven zal. Zouden vrouwen mij niet vreezen? Ik ken den lach niet meer, en altijd staar ik voor me uit, gelijk een man die een vijand ontmoet. Zooals de schuld nooit het geweten verlaat, zoo wijkt nooit de kleur van het boed van mijn hand. Wat zou een vrouw bij me vinden? Alleen ongeluk en donker leed, en als mij haar met mij vangt, den dood als een heks"
Ze schrok niet, maar bleef hem glimlachend aanzien.
"Is je ziel aan den Duivel verkocht?"
De roover week terug.
"Dat niet, hoewel hij mij schatten gelds heeft geboden, en mij zijn bescherming beloofde, zoolang ik op den aarde leefde."
"Zoolang je je nog niet aan den Duivel hebt verkocht, ben ik niet bang voor je."
Hij zag haar in de oogen, diép, of hij een weg had te zoeken in den nacht.
Haar gelaat bleef van onbewogen blijheid. Een jong onschuldig meisje was ze. Hij boog zich neer over haar aanminnig wezen, en zijn lippen kusten gratievol haar teere hand.
"Stel je onder mijn hoede. Zoolang je bij me wilt blijven, zul je niet worden gedeerd en je hebt vrijgeleide, tot waar je wilt gaan." Het deed de heks van Lettele goed, dat hij op zulk een respectvolle manier met haar sprak. Ze was er gewoon aan, dat ze met weinig achting werd behandeld. Een streelende stem had haar nog nooit behoord. -Wanneer ze ertoe in staat was geweest, had ze misschien Pier lief gekregen. Thans herinnerde zij zich de vereerende opdracht die Satan haar had gegeven, en ze zeide: "Ik stel me onder uw bescherming en op u vertrouw ik als een broeder."
Men kan denken, hoe ze gelachen heeft binnen-in haar bloed, ergens waar niemand den lach ontdekken kan. Zij toonde haar spot niet, en zij was het die hem steeds met den ernst der vrouwelijke liefdelijkheid tegemoet trad, als hij van zijn strooptochten terugkwam.
Na veertien dagen zeide ze hem dat ze verder wilde gaan, te lang was ze bij hem gebleven. Hij zeide: "Je hebt me je naam niet genoemd, en ook niet gezegd, wat je in deze streek had te zoeken. Nu je vertrekken wilt, zeg me je naam, en een onzer, die woorden weet te rijgen tot een lied, en klanken tot een voois, zal je bezingen en ik zal geen smart kennen, als ik het lied hoor."
Ze sloeg haar armen om hem heen, en kuste hem, tot het bloed week uit zijn gelaat, en hij achterover zonk gelijk een doodelijk gewond man. Haar lippen weken niet van de zijne, en zij dronk zijn ziel, als een roofdier bloed. Zij dronk zijn ziel als een goddelooze een vloek, en zij stak hem met de kus gelijk een vampier. Zij dronk zijn ziel als een pestlijder besmet water uit een bron, als een melaatsche onreinheid die hem wordt toegeworpen na dagen van dorst, als een heks veile liefde. Haar oogen waren vol lichten, spelenden glans, en haar mond, waarmede ze de kus stak en de kus dronk, was mild als van een jong meisje. Haar arm, die ze om zijn hals legde, was zacht, blank en vertroostend teder. De glimlach van lippen was rein en vol van den stillen min die de troubadours bezingen.
Wie had kunnen denken, dat ze de heks van Lettele was?
Eindelijk richtte hij zich op, zijn mond ontvluchtte de hare, en nu zochten zijn oogen haar ziel.
"Wie ben je?" vroeg hij.
Ze zag hem niet aan.
"Wie ben je?" riep hij angstig.
"Als veel anderen."
"Wie zijn die anderen?"
"Mijn zusters."
Weer wilde hij haar naderen, doch zij ontvlood, zij snelde door de dichte bosschen, langs vinnige doornen en warrelende, taaie takken, die grepen, en haar wilden omsluiten. Zij ging of er een heirweg was, en geen buigzame grissende windingen van hout en groen.
Zij lachte hem uit.
"Zie me te vangen."
Vergeefs wilde hij doordringen in uitgestrekte woud. Hij strekte zijn arm uit. Een twijg slingerde zich om zijn elleboog en een stengel van een langs grond en boomstammen kruipend gewas kronkelde om zijn been, en hield zijn voet gevangen, tot hij zich losrukte en een stap verder waagde.
Zij bleef op een afstand, spottend:
"Je komt nooit verder."
Hij bleef staan en strekte zijn armen uit.
Licht sprong ze, de doornen mijdend, langs takken van laag struikgewas glijdend, toe en wierp zich in zijn armen, zijn kussen wachtend met gesloten oogen. Tot haar verwondering beroerde hij haar niet, wel boog hij zich tot haar over en fluisterde:
"Wie ben je?"
Ze antwoordde niet. Haar oogen bleven gesloten, ze glimlachte als een meisje, dat van geluk droomt. Hij steunde haar in zijn armen, meenend, dat ze, zoo hij haar los zou laten, zou wankelen en vallen. Dit gaf hem een gevoel van macht en overwicht.
"Wat zou je eraan hebben, of je mijn naam wist?" zeide ze eindelijk. "Laten we vreemden voor elkander blijven, dan valt het afscheid des te lichter."
"Afscheid? Wil je me ooit verlaten?"
"Verder moet ik trekken."
"Waarheen! Is er een ander man, dien je liefhebt? Dan zal ik hem dooden"
"Hij dien ik liefheb, is niet te dooden. Houd me in je armen, en ik zal je zeggen-"
"Noem zijn naam niet, als je hem liefhebt."
"Luister naar me."
"Je woorden zijn vervloekt als je kussen. Wie ben je?"
"Twee jaren is het geleden, dat ik een eenzamen weg ging, zóó eenzaam dat een levend insect, een hagedis, een zingende vogel meer leven voor me was dan anders een leger uittrekkende ridders en strijders.
Terwijl ik verder trok zag ik een man geleund tegen een boomstam. Hij stond op, toen ik dichterbij was gekomen, en hij vroeg me, waarheen ik ging - "
"Noem zijn naam."
"Meer dan een jaar bleven we bij elkander, en we kregen elkander lief.
Hij had mijn naam niet gevraagd, en ik niet den zijne.
Waarom zou ik dat hebben gedaan? Ik was jong en onervaren, had alleen de liefde lief, en vroeg niet naar een woord, een klank, een naam. Maar eens 's morgens, bij 't ontwaken, toen ik naar den Hemel zag ontdekte ik de vreeselijke waarheid. Met roode kleuren stonden wij tegen de wolken afgetekend ik en hij in zijn ware gedaante: de Duivel. Meer dan een jaar heb ik den Duivel liefgehad."
Hij staarde haar vol ontzetting aan. Zij had haar oogen neergeslagen, en hij zag, hoe rein haar gelaat was en hoe kinderlijk de glimlach om haar lippen. Haar fijne handen speelden met den neerhangenden sluier van haar steekhoed, als was ze een meisje in haar onschuld verrast.
"Je bent een heks," schreeuwde hij vol vrees.
Even haalde ze diep adem. Haar vingers staakten het gratievol, coquet spel met den sluier, en haar oogen, waarmede ze hem aanzag, waren van geheimzinnige boosheid.
"Ik zoek een man, die voor de Duivel niet bang is. Zoo'n man alleen zal ik mijn liefde geven."
Hij schreeuwde het van pijn uit, en als een man, die pijn lijdt, greep hij in 't rond. Zijn nagels zochten haar weeken arm om er diep in te slaan, en gillend, zijn eigen smart zooveel mogelijk te vergeten. Hij vond haar niet, al stond ze voor hem. Zijn vingers sloegen door de ijle lucht en als een drenkeling, die mis heeft getast, zonk zijn ziel in de diepte van zijn leed, alleen, bedwelmd.
Er was geen ander geluid dan haar lach die haar zachte stem doorgonsde. Ik ben een heks - een heks - de heks van Lettele is mijn naam. Mijn plicht op deze aarde is menschenzielen te verderven, zooals het de plicht is van een geloovig man menschenzielen te redden.
Ik ben een zandkorrel van het Kwaad - en noodzakelijk ben ik als een zandkorrel van het Goed. Strijd moet er zijn in de menschenziel, want door dezen strijd bestaat het geslacht der mensen voor eeuwig. Ik heb den Duivel lief, en ik hem als mijn Meester, hoog in de wolken zing ik zijn naam. Mijn vriend is Hij en mijn echtgenoot, de verwekker van het Kwaad, voor mij is Hij edel en welgevormd, en Zijn stank is reukwerk voor mij. Ook jou heb ik lief, want je handen geuren naar onschuldig vergoten bloed, maar mijn liefde voor den Duivel is machtiger, als een diep geluk is mijn smart om zijn boosheid.
"Ik zoek een man die voor den Duivel niet bang is, en jij zult dat zijn!"
Zijn lippen bewogen, als vond hij de macht niet, de woorden te doen klinken. Zij dronk de klanken van zijn mond, gelijk voorheen zijn kussen, begéérig.
"Hoe je me dat bewijzen kunt... dat je den Duivel niet vreest? Ik zal hem oproepen, en je teekent het met je bloed dat je ziel hem vervallen is."
Hij zweeg [en] breidde zijn armen uit. Zij kuste hem, zijn ziel drinkend.
Het licht week, achtervolg op de voet door zijn vijand den duisteren avond. Nevelen en schaduwen spleten den dag, omtrekkend zijn laatste vestingen aan den horizon. Het donker, meedoogenloos, vulde de wereld, het sloeg van de aarde naar den hemel, en ook verwalmde het de purperen wolken tot alles stil werd.
Drie maal stampte ze met den voet den grond en ze fluisterde Satan's naam. Pier de roover voelde, dat een gedaante hem naderde, een kille hand rustte op zijn schouder. Angstig trachtte hij te zien. doch de nacht was een hooge muur van duister, en geen weerschijn brak door. Al het levende en bewegende ging teloor in het doode en roerloze, en als een bevrijding was hem tenslotte de stem van den Duivel, die uit den schaduw tot hem klonk.
"Hier ben ik Pier! Je hebt me geroepen en ik voldoe aan je bevel."
"Laat me tot morgen wachten."
"Wil je haar liefde niet? Hij die zegt, dat hij liefheeft, moet 't bewijs van zijn liefde geven. 't Bewijs is dat je jouw ziel aan mij wilt verkoopen. Vroeg zij om groote geschenken? Zij vraagt alleen om een weinig bloed, waarmee je je naam op 't perkament zet, dat ik bij me heb."
"Wat beloof ik daarmee ?"
"Je ziel alleen maar, wanneer je gestorven zult zijn en niets meer aan je ziel hebt. Wat heeft een dood man aan zijn ziel? Aan veel menschen bied ik aardsche rijkdom en genot; maar ook aan veel bied ik vrouweliefde."
"Ge vraagt de eeuwigheid voor vergankelijke schatten," zeide Pier bitter.
"Wat is dan de menschenziel ? Heeft ze gewicht, vorm, inhoud? Voel ik ze, zie ik ze, als ze op mijn hand ligt? En toch... van hoeveel macht is ze voor den levenden mensch. Velen hebben geen rijkdom verworven, nooit vrouweliefde gekend, omdat ze een ziel hadden die hen verontrustte.
"Welnu! Als je je ziel aan mij afstaat, heb je een leven van vrede, en ziet!" De duivel hief zijn hand op. Uit duizend fakkels werd het bosch verlicht. De poorten van den nacht weken tot den horizon terug, aan lichtrandige flarden hing het zware kleed van het duister ver weg. Het scheen, of ontzaglijke vlammen sloegen uit het woud.
Voor in 't bosch was de rossige gloed het scherpst.
Daar stond de heks van Lettele, en haar armen strekte ze uit.
Een oogenblik.
De fakkels werden gedoofd en op onhoorbare vleugelen, ineens snelde de groote roofvogel van 't donker naar voren, zijn zwarte bek vooruit. Weder was alles nacht.
"Heb je gezien?" schaterde Satan.
"Is dat de belooning voor mijn arme ziel?"
"Dat is de belooning."
"Waarom geef je er dan zoveel voor?"
"Omdat nog nooit een man uit je machtig geslacht zijn ziel heeft verkocht."
"En ik moet de eerste zijn?"
"Ja."
Als een vloek klonk dit woord: gelijk een man, die leegte voelt onder zijn voet, wankelde Pier.
"Geef me tot morgen vroeg tijd. Laat me dan beslissen."
"Tot morgenvroeg," zeide de Duivel, "niet langer."
En met zachter stem ging hij voort.
"Rust tot den morgen, en werp je wolvevel om. De heks zal vuur maken, waarbij je je kunt warmen, en zingen zal ze in je droom met liefelijke vooizen, die nog nooit een mensch vernomen heeft."
De heks kwam naderbij, in haar armen torsend stapelen vuur, die ze voor Pier neerwierp. Om de vlammen, aan: te keren, wierp ze slangen, padden, hagedissen en paddestoelen in den laaienden gloed. Ze omdanste het vuur, hekseliederen krijschend.
Vreemd. De woorden en de wijs sloegen roerloze sluiers in Pier's gedachten en hij kon geen weerstand bieden aan de zoete vleierijen van den lokkenden slaap. Hij hoorde haar stem van dichtbij, ver - verder, een klank, een echo.... de stilte.
Het vuur was een warme mantel, die hem omringde, en het wolvevel riep de weelde der zoete, troostende hitte, een dubbel dek droeg het in zijn droom. Hij wist niet, waarom de Duivel en 't Lettelsch wijf -hem met vlammen hadden omringd, zoo hoog als de wal om een kasteel: ze wilden niet, dat de woorden, die zij spraken, door hem werden gehoord.
"Nooit - nooit - hoor ik een ander toe dan den Duivel,' zeide de heks. "Ook een slechte vrouw kent de liefde, zij geeft de liefde aan een slecht man. Slecht hoort bij slecht, goed bij goed, uit het kwaad wordt het kwaad geboren, uit het goed het goed, opdat de strijd eeuwig zij. Laat het goed overwinnen, het kwaad tiert voort, en brengt nieuwe legers in het veld, nadat het is verslagen! Satan ik ben je trouw, als een vrouw die waarlijk liefheeft. Satan! Ik zal Pier mijn liefde beloven, maar nooit geven, beloof, beloof, maar zet niets op het papier, dat met zijn bloed wordt beschreven. Als hij je zijn ziel heeft verkocht, vluchten wij samen, hoog met de wolken, die den morgenhemel vullen."
"Ik gun hem je liefde niet, en als wij zijn ziel hebben vlieden wij van de donkere aarde, waar de menschen hun grootste schat verkoopen tegen luttel gewin. Morgen vroeg vieren wij bruiloft, heks van Lettele, in de verre, onbereikbare lucht, en duizend heksen en duivelen noodigen we te gast, vóór 't zonlicht de schemering breekt."
"Stil! hij ontwaakt. Laat mij zingen."
Zij zong:
Zonder ziel
Is de ziel
Licht en blij
Als de Mei;
Eeuwig rust
Eeuwig lust
Kent de ziel
Die ontviel
Licht en blij
Als de Mei...
Blij en licht...
Geen gewicht
Heeft de ziel
Zonder ziel.
En driemaal, zichzelf slaand op de borst, gelijk een raaf zóó krassend, krijschte zij: "Heks! heks! heks!"
Pier doordroomde den nacht, haar stem en haar liederen waren zijn droomen. Hij hoorde niet, wat zij en de Duivel met elkander bepraatten.
Uit het duister kwam het morgenlicht, gelijk de wazige schemering uit den ingang van een dicht bosch. Nog zwierven vleermuizen en katuilen en het zou nog duren, voor de leeuwerik zou stijgen - toch was 't licht al geboren en de heks van Lettele staakte haar zangen, doofde het vuur, en wekte den armen mensch tot zijn noodlot De Duivel stond, de armen gekruist voor de roover.
"Geen uitstel is meer mogelijk"
De heks knielde naast hem neer. Haar kussen waren mild als water voor den dorstige, haar armen lagen zacht en stil om zijn hals, maar boeien waren ze voor zijn wil, en gelijk een gewonde gevangene lag hij op den grond.
"Tekenen zal ik - met mijn bloed," kreunde hij.
"Hier is 't papier," grijnsde Satan.
"Een genade vraag ik."
"Die eene genade is?" vroeg de Duivel norsch.
"Die eene genade is: wanneer ik sterven zal, en men zet op dit land een kruis op mijn graf - dan behoud ik mijn ziel."
Satan lachte, wreder dan een zwaard, dat een weerloos man bedreigt.
"Wie zal er voor Pier den roover een kruis oprichten?"
"Heeft de heks van Lettele mij niet lief? Zij zal misschien 't kruis oprichten. Geef mij één enkele kans, tegen de duizend kansen, die gij hebt."
Satan was ernstig geworden.
"Wie weet, of ik niet zelf het kruis zal oprichten." sprak de heks. Alleen de Duivel, die haar stem kende, hoorde haar hoon.
"'t Is goed," zeide de Vijand der menschen. "Als er iemand wordt gevonden, die voor den meedoogenloozen roover een kruis zal bouwen verlies ik mijn recht op je ziel."
Hij stiet het scherpe ijzer in Pier's borst, ter hoogte van zijn hart. Het bloed omsloot het lemmet, en verder vloeide er geen druppel meer, zelfs niet de pijn van een schram voelde de getroffene.
Met de punt van het zwaard werd 't vreemd verdrag geschreven en geteekend.
Satan stak het in zijn kleed.
Toen wachtte Pier zijn belooning.
Instee hiervan, vlood het jonge meisje weg den Duivel voerend aan haar hand. Zij besteeg haar bezemsteel, en lachend vlogen zij beiden door de lucht, hoog en hooger. Als twee jagende wolken, woest spelend, waren zij aan den Hemel, zij vervloeiden in elkander, spleten dan uiteen, zijn bokkebaard warrelde, aangestooten door den wind, en zijn staart zwiepte heen en weer. Zij was geen jong meisje, een leelijke, oude vrouw was ze, en haar bezemsteel hanteerde ze als een heks. Ze had een golvenden baard, haar oogen waren strepen licht, en bijna geen haren had ze op den kalen schedel; haar neus was een vuile wrat en haar mond, dien ze, als om te spuwen naar den kant der aarde opende, was tandeloos; de nagels van voet en hand waren lange wurmen, geel, slijmerig, en ze streek ze door de lucht.
Ze lachten tezamen met één sissenden lach over den bedrogen man, die nog steeds zijn Armen uitgebreid hield, als wilde hij de wentelende gestalten hoog boven zijn hoofd smeeken, terug te keeren. Ze wezen naar hem met lange armen, en hun gasten, wolken als zij, volgden in lange rijen, wanstaltig van gedaante waren ze: de een droeg vetbulten als een vreemd dier op rug en borst en met paardevoeten stampte hij in de ijle lucht; een ander had een waterhoofd, een vormloze klomp zonder neus, oogen en mond, een dik gezwel inplaats van haar; een derde had een klein kopje met uitgerekten hals en plotseling een opgezwollen lijf die een paar houterige beentjes droegen; 't lichaam donker-nevelig van een vierde was in allerlei warrelingen gekronkeld, 't grijnzende hoofd keek tusschen zijn knieen uit en zijn breede voeten rustten tegen den wanstaltig-verbreeden rug.
Dat was de bruiloftsstoet van Satan en de heks van Lettele.
Pier wierp zich plat ter aarde, om niets meer te zien... Geen wolken waren het die door den ziedenden wind bewogen, aan den Hemel togen, heksen waren het, kobolden en dwergen en duivelen, guur gespuis-van-den-nacht dat om zijn domheid en 's Duivels bedrog van dien morgen was er geen wreeder heerscher dan Pier, die zonder genade roofde en brandstichtte. Hij kende geen medelijden, geen naastenliefde, geen ontzag. Hij en zijn bende stroopten de landen af, en geen wreedheid was wreed genoeg.
Zij dooden menschen als dieren, geeselden vrouwen, kinderen, grijsaards, ze bonden hun gevangenen vast en lieten ze uit puren moedwil verhongeren.
Pier had de heks van Lettele nooit wéér gezien.
Toch, verscheiden malen op zijn zwerftochten, had hij een meisje ontmoet, dat op haar leek. Zijn volgelingen wisten het ... : als ze een deerne zagen, goud-blond van haar, en korenbloem-blauw van oogen, wilderoos-rozig van mond en heggewinde-wit van huid, was er geen grooter deugd voor hun heer dan haar te pijnigen. Eerst kuste hij haar, en als hij haar van liefde genoeg had gegeven, sneed hij haar blanke armen af en haar sierlijke voeten. Verminkt liet hij haar liggen aan den weg, en hij en zijn troep trokken verder. Eens hadden zij hun tocht uitgestrekt tot ver in 't land van Zutfen en gestroopt tot voor de poorten van Lochem.
Bij de wallen, aan 't riviertje de Berkel, vonden ze in een der huizen- een jong meisje en ze voerden het voor hun hoofdman, die, verschrikt, terugdeinsde.
"Ben jij de heks?" schreeuwde hij. Nooit had hij grooter gelijkenis gezien dan tusschen de vrouw, die hem had bedrogen, en het jonge meisje dat voor hem stond. Niet alleen haar gelaat, ook haar figuur, haar kleeding, en de wijze, waarop ze hem aanzag, was het de heks of een vreemde?
"Hoe heet je?"
"Margien."
"En hier ben je geboren?"
"Ja, edel heer, in dit huis."
Ze bedekte haar gezicht met de handen.
"Voer me hier niet weg. Hier ben ik gelukkig geweest."
De roover schaterde spottend.
"Ze zal naast de paarden loopen," beval hij.
De mannen dreven haar voort met 't plat hunner zwaarden, en prikten haar met hun lansen en spietsen, teneinde haar tot snelheid aan te spooren. Ze matigden de draf niet van hun dieren , en slechts door 't bosch of op heuvelachtigen grond deden zij ze langzaam stappen. Eerst nadat zij oneindig-moede was neergezegen, hief een der ruiters haar op zijn ros, en vooruit ging het in gestrekten draf, tot het avond werd, en men een rustplaats zocht acht struiken en dikke stammen, op den rauwen grond.
Haar bond men, dat ze niet zou kunnen ontsnappen. Ze zou haar lot niet ontkomen, evenmin als de andere vrouwen, die op haar leken. Ook haar zou men verminken, en haar hulpeloos achterlaten, en menig ruiter voelde zijn hart kloppen, bij de gedachte, dat hij de weeklacht den volgenden morgen van verre zou hooren.
Zij sliepen in, en alleen Pier en het jonge meisje waakten.
Ze waakten ver van elkander verwijderd, en dachten aan elkander.
Eindelijk - nog sliepen zijn volgelingen, en 't maanlicht wierp zijn hel-gele glans over de aarzeling van den komenden morgen, - stond Pier op en met zachte schreden ging hij naar de plek, waar Margien nederlag. Hij ging naast haar zitten en nam haar hand in de zijne.
"Ben je de heks niet?" vroeg hij.
Ze zag hem met groote, stille oogen aan.
"Wie zijt gij, edele heer? Uw gelaat is zoo goed, uw daden zijn zoo slecht."
"Pier de roover word ik genoemd.'
Zij wendde haar gezicht af.
"Dan is uw naam kwaad."
"Als moeders haar kinderen willen verschrikken, noemen ze mijn naam. Ik ben de makker van den weerwolf, de onderdaan van den Duivel."
"En toch zijn uw oogen zoo mild, dat een jong meisje ze lief heeft. Gij zijt goed."
"Ben je vergeten, hoe ik je mishandeld heb?"
"Als ge me dood zoudt martelen, zouden uw oogen me een troost zijn."
Eens was er een vrouw - ze leek op je in stem, oogen en gebaren - die mij eeuwige liefde beloofde. Door haar werd ik bedrogen."
"Veel menschen zijn er, edele eer, en daarom veel ontrouw en trouw, smart en geluk."
"Zou je mij niet bedriegen, als jij me zei me, dat je me liefhad?"
"Neen."
"Ik geloof je niet."
"Ik kan u 't geloof niet schenken."
Zij keerde haar gelaat naar hem toe, en zag hem aan.
"Ik wil je gelooven," riep de roover. "Luister naar me. Misschien over eenige dagen al zal ik sterven. De dood bedreigt me."
"Het is niet waar, nooit kan het waar zijn."
"De Duivel wil zijn prooi. Toch - misschien - misschien - zal hij zijn prooi niet krijgen."
"Wat meent ge, edele heer. Ik smeek U, bij alles, wat u eens heilig is geweest, zeg me alles."
"Als ik gestorven zal zijn, strekt hij zijn klauwen naar mij uit. Ik ben hem vervallen, stil!" hij omklemde haar polsen, "als er geen kruis wordt gezet op de plek, waar ik begraven lig."
Zij haalde diep adem.
"Ik zal 't kruis oprichten beloofde ze plechtig.
Gelijk een geslepen kling, heen en weer flitsend, sloeg 't eerste teere licht tegen den horizon, klooven houwend, dieper en dieper in 't nachtelijk duister.
De dag begon. De roovers ontwaakten.
Zonder spreken stonden ze op, en wierpen zich te paard, Pier greep het meisje vast, en zette het voor zich op zijn ros. Vooruit ging het in wolken van stof.
"Hij zal haar niet dooden, maar hij zal haar vreeselijk doen lijden," dacht menigeen: "Hij zal haar zijn liefde geven."
Zij leerde dagen kennen van oneindige smart. Dikwerf, donker, sloop de twijfel in zijn ziel. Was zij niet de heks van Lettele? Zou ze hem niet bedriegen? Dan liet hij de troep stilhouden, en met eigen hand sloeg hij haar tot bloedens toe of hij liet haar naast de paarden loopen, gelijk den eersten dag.
Zij droeg haar pijn niet met tranen, doch met een glimlach, want zij dacht aan de uren van liefde die hij haar had gegeven en ze wist dat zijn kussen den twijfel volgden, die hem diep in zijn bloed kwelde.
En eens, zoo meende zij, zou hij haar vertrouwen.
Zij wist niet, dat de heks en de Duivel loerden op zijn arme, verloren ziel, en dat zijn ondergang nabij was. Zij reden door en roofden alles van hun gading, Pier en zijn gezellen, en alles, wat tegenstand bood doodden zij ...
Als een schaduw, die wacht den laten dag, stond de heks van Lettele in de boschen van Wezepe, en zij beidde de bende, die daar moest voorbij gaan.
Dikwerf neigde ze haar hoofd ter aarde, en luisterde, of ze niet het getrappel hoorde van paardehoeven. Eindelijk kwam de avond, dat ze haar hoofd oprichtte, met een glimlach van geluk.
Ze riep den Duivel, en zeide hem, dat Pier naderde.
"Morgen is mijn ziel vrij," triumfeerde ze.
De roovers legerden zich dicht bij het bosch, waar zij beiden stonden.
Hu! ze bestreek zich met zalf, en ze werd een jong ridder, volkomen geharnast en gewapend. Roerloos wachtte zij tusschen de hooge stammen, haar harnas blonk roodgoud als de zomeravondlucht. Donker was ze van haar, dat ongebonden zwierde daar zij geen helm droeg. In haar vuist, krachtig, hield zij 't zwaard.
Voor Pier zich ter ruste legde, zag hij om zich. Hij aanschouwde den vreemden ridder, die onbewegelijk wachtte, en zwijgend trok hij zijn vijand tegemoet.
De klingen sloegen tegen elkander als hamers. Even bewoog zich de vreemde ridder.
Pier wankelde, viel achterover. Het geslepen zwaard van den ridder was hem in zijn keel gedrongen, en dood lag hij geveld.
"Bevrijd is mijn ziel," juichte de heks, en zij knielde naast hem. Toen murmelde zij vreemde tooverwoorden, en zij werd de heks gelijk voorheen. Zij danste en sprong, hekseliederen schreeuwend, om 't lijk tot eensklaps stilstond, haar handen tot vuisten ballend naar 't Oosten, waar de zon opkomt. Zij knielde neer en look de oogen van den getroffene met bilzenkruid en nachtschade, in zijn neusgaten wrong zij de krulstaart van een zwijn, en om zijn hals legde zij een krans van zwammen uit den Heksenkring.
Zij vloog op, om Beelzebub van haar roem te vertellen, en Hem in dolle vreugde mede te sleepen naar de plek, waar Pier ternederlag.
De nachtschade, blauw als de avond, draagt een kleine, gele toorts, en ook 't bilzekruid heeft een valen gloed die den zoekende wijst, waar een man verslagen ligt; de zwammen van den Heksenkring hebben 't licht ingeslurpt van den dag en bij dezen glans dansen de heksen in den nacht. Gloed en gloed en gloed wezen Margien den moord.
Zij bedekte de handen, die haar geslagen hadden, met kussen en met tranen, en zij liefkoosde de voeten, die haar hadden getrapt. Zij weende met stille smart, stiller en wreeder dan de sluipende dood. Zij moest verder leven, en verlangde te sterven.
Haar tranen vloeiden over zijn gelaat, ze stroomden in den vorm van een kruis, van zijn voorhoofd tot zijn mond, van zijn eene wang naar de andere, in lichtender lijnen dan de zon werpt over een witten weg.
De gloed van nachtschade en bilzenkruid werd er door verduisterd, en Satan wendde zich af, luid huilend, nadat hij door de heks was gevoerd naar de plaats des onheils.
Met haar blanke armen heeft Margien zijn graf gedolven, en met het zwaard heeft ze een steenen kruis gehouwen, dat nu nog altijd bestaat. Onder het kruis heeft Pier de roover rust gevonden, na zijn ellendig leven. Eeuwig zal zijn rust zijn, want niemand duldt, dat het weg zal worden genomen.
Wanneer het zou verdwijnen, wanneer een onverlaat het neer zou slaan, zouden de dorpen in den omtrek door vlammen worden geteisterd, het vee zou zich storten in den laaienden gloed, en met armoede zou de bevolking worden geslagen. Daarom wordt het steenen kruis bewaakt als de hoogste schat. Eeuwig en eeuwig blijft de ziel van Pier den roover in stilte en vrede.
Hoevele zielen ook zijn vergaan, en van hoevele men 't lot niet weet - van de heks van Lettele niet, evenmin als van Margien - van deze eene is men zeker, en voor menigeen, die leeft, is dit een gebenedijde troost.
Het is de zekerheid, dat de grootste zondaar het kruis kan vinden.
Onderwerp
SINSAG 0863 - Der Teufelsvertrag zurückgegeben.
  
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Lettele   
Duivel   
Satan   
Pier   
Fries   
Eikelhof   
Margien   
Beelzebub   
Naam Locatie in Tekst
Overijssel   
Wezepe   
Olst   
Zutphen   
Lochem   
Berkel   
Wezep   
