Hoofdtekst
De grijze haarlok
In Schinveld zagen late voorbijgangers des nachts op de stoep van zeker huis af en toe een hond zitten. En in dat huis bevonden de bewoners 's morgens telkens dat er levensmiddelen gestolen waren. Dat die hond des nachts kwam werd niet erg gaarne gezien, en hij
werd daarom dan ook beschouwd als een vermomming van iemand, die de bewoners niets goeds gunde. Andere buren wisten te dat de hond daar en daar over een greppel
een gat in de haag kroop en dan verdween.
Op zekere nacht werd de hond weer op de stoep gezien en het hele dorp kwam vanuit de verte er naar kijken.
Er werd veel over gepraat, ook over de greppel, waarover de hond telkens verdween, maar niemand durfde naderbij komen.
Tot een onvervaard stroper, een uitstekend schutter, zich voornam de hond bij het gat in de haag af te wachten en hem dan neer te schieten. Hij ging. Na geruime tijd kwam de hond. De stroper liet het beest eerst passeren, legde aan, maar het schot ging niet af. Eerst nadat de hond zich naar de loerjager had gekeerd en even woedend had gegromd, ging het schot af; de hond werd natuurlijk niet geraakt.
De stroper gaf de moed niet op en zodra het gerucht weer door het dorp ging dat de hond er was, begaf hij zich weer op en post wachtte.
Tegen een uur kwam de hond aangelopen. De stroper liet hem passeren, trok de haan over. Weer was het of hem iets tegen de loop van zijn geweer sloeg; want de kogel vloog over de bomen in plaats van de hond te treffen.
Toen de dorpelingen de vreemde geschiedenis van het schieten op de hond vernamen, waren ze nog banger voor het zwarte beest.
De stroper liet echter de moed niet zinken, begaf zich naar de pastoor en vroeg deze een appeltje van de Paaskaars, dat een onfeilbaar middel moet zijn om geheimzinnige wezens, in dierengedaanten vermomd, vast en zeker te treffen. De pastoor gaf het gevraagde, doch liet zich over de zaak zelf niet uit; hij behield zijn mening voor zichzelf. Nauwelijks was het bekend, dat de hond er weer moest wezen, of de stroper weer naar zijn schuilhoek en daar afgewacht.
Spoedig kwam de hond terug. De schutter begon het Sint-Jans Evangelie te bidden, wiji het schot met het appeltje van de Paaskaars daarzonder niet kon baten. Hij Iegde aan, een knal en daar zag hij in het donker nog iets tuimelen. Dadelijk ontstak hij de lantaarn die hij bij zich droeg, en ging zien wat hij had neergeschoten.
Hij vond echter niets dan een kleine plas bloed en een lok lang grijs mensenhaar, die in de haag was blijven hangen.
Na die nacht werd de hond niet meer gezien en de volgende dag hoorde men dat de oude scheper van een hoeve, een half uur van Schinveld gelegen, was verdwenen.
In Schinveld zagen late voorbijgangers des nachts op de stoep van zeker huis af en toe een hond zitten. En in dat huis bevonden de bewoners 's morgens telkens dat er levensmiddelen gestolen waren. Dat die hond des nachts kwam werd niet erg gaarne gezien, en hij
werd daarom dan ook beschouwd als een vermomming van iemand, die de bewoners niets goeds gunde. Andere buren wisten te dat de hond daar en daar over een greppel
een gat in de haag kroop en dan verdween.
Op zekere nacht werd de hond weer op de stoep gezien en het hele dorp kwam vanuit de verte er naar kijken.
Er werd veel over gepraat, ook over de greppel, waarover de hond telkens verdween, maar niemand durfde naderbij komen.
Tot een onvervaard stroper, een uitstekend schutter, zich voornam de hond bij het gat in de haag af te wachten en hem dan neer te schieten. Hij ging. Na geruime tijd kwam de hond. De stroper liet het beest eerst passeren, legde aan, maar het schot ging niet af. Eerst nadat de hond zich naar de loerjager had gekeerd en even woedend had gegromd, ging het schot af; de hond werd natuurlijk niet geraakt.
De stroper gaf de moed niet op en zodra het gerucht weer door het dorp ging dat de hond er was, begaf hij zich weer op en post wachtte.
Tegen een uur kwam de hond aangelopen. De stroper liet hem passeren, trok de haan over. Weer was het of hem iets tegen de loop van zijn geweer sloeg; want de kogel vloog over de bomen in plaats van de hond te treffen.
Toen de dorpelingen de vreemde geschiedenis van het schieten op de hond vernamen, waren ze nog banger voor het zwarte beest.
De stroper liet echter de moed niet zinken, begaf zich naar de pastoor en vroeg deze een appeltje van de Paaskaars, dat een onfeilbaar middel moet zijn om geheimzinnige wezens, in dierengedaanten vermomd, vast en zeker te treffen. De pastoor gaf het gevraagde, doch liet zich over de zaak zelf niet uit; hij behield zijn mening voor zichzelf. Nauwelijks was het bekend, dat de hond er weer moest wezen, of de stroper weer naar zijn schuilhoek en daar afgewacht.
Spoedig kwam de hond terug. De schutter begon het Sint-Jans Evangelie te bidden, wiji het schot met het appeltje van de Paaskaars daarzonder niet kon baten. Hij Iegde aan, een knal en daar zag hij in het donker nog iets tuimelen. Dadelijk ontstak hij de lantaarn die hij bij zich droeg, en ging zien wat hij had neergeschoten.
Hij vond echter niets dan een kleine plas bloed en een lok lang grijs mensenhaar, die in de haag was blijven hangen.
Na die nacht werd de hond niet meer gezien en de volgende dag hoorde men dat de oude scheper van een hoeve, een half uur van Schinveld gelegen, was verdwenen.
Onderwerp
SINSAG 0331 - Spuktier kann nicht getroffen (gefangen) werden
  
Beschrijving
Een mysterieuze hond steelt 's nachts de levensmiddelen van een woning. Een stroper probeert hem af te schieten, maar faalt hierin. Totdat hij van de pastoor een appeltje van de paaskaars krijgt. Na het schieten van de hond is de scheper van een naburige hoeve ook verdwenen.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van weerwolven'.
Spuktier kann nicht getroffen (gefangen) werden
Naam Overig in Tekst
Sint-Jans Evangelie   
Naam Locatie in Tekst
Schinveld   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
