Hoofdtekst
De wraak van den weerwolf
Een jonkman uit Gulpen moest, 's avonds, bij het naar huis gaan, altijd een weerwolf dragen. Dat duurde en bleef duren en hij kon hem maar niet kwijt worden.
Op zekeren avond, toen hij weer in de herberg zat, waar hij gewoonlijk kwam, bemerkten zijn vrienden, dat hij er mismoedig uitzag. Ze vroegen hem of hij niet wel was. Hij wilde het antwoord op die vraag vermijden en begon over iets anders te praten. Zijn vrienden drongen echter bij hem aan en ten langen laatste kregen ze toch uit hem, dat de oorzaak van zijn mismoedigheid een weerwolf was, dien hij iederen avond, bij het naar huis, gaan moest dragen. Hij kon nauwelijks buiten de deur komen of het beest sprong hem op den rug.
Als dat alles was, dan wisten zijn vrienden wel raad. Hij moest 's avonds een mes meenemen en wanneer hij dan den weerwolf moest dragen, dezen met het mes voor het voorhoofd slaan, op de plaats, waar hij het doopsel had ontvangen.
Dien raad kon hij aldra in toepassing brengen, want toen hij 's avonds laat de herberg verliet, sprong de weerwolf hem al op den rug en moest hij hem weer als gewoonlijk dragen. Nauwelijks was de weerwolf ditmaal op den jonkman gesprongen, of deze trok zijn mes en sloeg er de weerwolf mee vlak voor het hoofd. De weerwolf liet los en viel en toen de jonkman omkeek, om te zien, wie het wezen mocht, herkende hij zijn besten vriend.
'Ah! Jij bent het,' zeide hij.
Zijn vriend, de weerwolf, dreigde hem nu: 'Pas op, als je me verraadt!' Daarna verdween hij.
Den volgenden avond kwam de jonkman weer in de herberg en de eerste vraag van zijn vrienden luidde: 'Heb je hem weer moeten dragen?'
'Als je geen ossen waart, zaagt ge het!' antwoordde de jonkman.
Nu wisten zij, wie de weerwolf was, want zijn beste vriend zat er ook bij en het litteken aan zijn voorhoofd bleek goed zichtbaar.
Al had de jonkman den weerwolf niet rechtstreeks verraden, zoo moest hij toch voor zijn zijdelingsche toespeling diens wraak ondervinden. Dien avond moest hij niet één, maar vijf, zes weerwolven dragen.
Dat was op den duur niet uit te houden. Ten einde raad, nam de jonkman dienst in het leger. Toen beschermde hem het kruis, dat de riemen van zijn ransel op zijn rug vormden. Daar konden de weerwolven niet tegen en sinds dien tijd had hij ook geen last meer er van.
Een jonkman uit Gulpen moest, 's avonds, bij het naar huis gaan, altijd een weerwolf dragen. Dat duurde en bleef duren en hij kon hem maar niet kwijt worden.
Op zekeren avond, toen hij weer in de herberg zat, waar hij gewoonlijk kwam, bemerkten zijn vrienden, dat hij er mismoedig uitzag. Ze vroegen hem of hij niet wel was. Hij wilde het antwoord op die vraag vermijden en begon over iets anders te praten. Zijn vrienden drongen echter bij hem aan en ten langen laatste kregen ze toch uit hem, dat de oorzaak van zijn mismoedigheid een weerwolf was, dien hij iederen avond, bij het naar huis, gaan moest dragen. Hij kon nauwelijks buiten de deur komen of het beest sprong hem op den rug.
Als dat alles was, dan wisten zijn vrienden wel raad. Hij moest 's avonds een mes meenemen en wanneer hij dan den weerwolf moest dragen, dezen met het mes voor het voorhoofd slaan, op de plaats, waar hij het doopsel had ontvangen.
Dien raad kon hij aldra in toepassing brengen, want toen hij 's avonds laat de herberg verliet, sprong de weerwolf hem al op den rug en moest hij hem weer als gewoonlijk dragen. Nauwelijks was de weerwolf ditmaal op den jonkman gesprongen, of deze trok zijn mes en sloeg er de weerwolf mee vlak voor het hoofd. De weerwolf liet los en viel en toen de jonkman omkeek, om te zien, wie het wezen mocht, herkende hij zijn besten vriend.
'Ah! Jij bent het,' zeide hij.
Zijn vriend, de weerwolf, dreigde hem nu: 'Pas op, als je me verraadt!' Daarna verdween hij.
Den volgenden avond kwam de jonkman weer in de herberg en de eerste vraag van zijn vrienden luidde: 'Heb je hem weer moeten dragen?'
'Als je geen ossen waart, zaagt ge het!' antwoordde de jonkman.
Nu wisten zij, wie de weerwolf was, want zijn beste vriend zat er ook bij en het litteken aan zijn voorhoofd bleek goed zichtbaar.
Al had de jonkman den weerwolf niet rechtstreeks verraden, zoo moest hij toch voor zijn zijdelingsche toespeling diens wraak ondervinden. Dien avond moest hij niet één, maar vijf, zes weerwolven dragen.
Dat was op den duur niet uit te houden. Ten einde raad, nam de jonkman dienst in het leger. Toen beschermde hem het kruis, dat de riemen van zijn ransel op zijn rug vormden. Daar konden de weerwolven niet tegen en sinds dien tijd had hij ook geen last meer er van.
Onderwerp
SINSAG 0821 - Junge, der einen Werwolf wiedererkennt und dessen Namen verrädt, muss stets Werwölfe tragen.   
Beschrijving
Een jongeman wordt gedwongen iedere avond als hij de herberg verlaat een weerwolf te dragen. Zijn vrienden raden hem aan om de wolf dan met een mes op de kop te slaan, op de plek waar hij het doopsel heeft ontvangen. Het werkt en de jongen komt erachter dat de wolf zijn beste vriend is, die hem vraagt hem niet te verraden. De volgende bijeenkomst met zijn vrienden verraad de jongen hem toch -met een verkapte toespeling. Als wraak moet de jongen tegenwoordig vijf, zes weerwolven dragen inplaats van één. Pas als de jongen in het leger gaat, zorgen de kruisvormige riemen van zijn ransel ervoor dat hij geen weerwolven meer hoeft te dragen.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925, p. 209-210.
Commentaar
1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van weerwolven'.
Junge, der einen Werwolf wiedererkennt und dessen Namen verrädt, muss stets Werwölfe tragen. Als Soldat schützt ihn das Kreuz auf dem Ranzen.
Naam Locatie in Tekst
Gulpen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
