Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KEMP350 - Varia: Spek en eieren in de pan

Een sage (boek), 1925

Hoofdtekst

Spek en eieren in de pan

Daar was eens een vrouw die niet erg van haar man hield en daarom zon zij erop hem kwijt te raken. Op zekere morgen zou zij gaan biechten. Haar man die wel wist wat er in haar omging, raadde haar aan vroeg te gaan, de pastoor was dan al in de kerk. Zij ging dus heel vroeg, maar nog niet zo vroeg of haar man was haar al voor in de lege kerk en kroop de biechtstoel in.
Nu kwam zijn vrouw en wist niet beter dan te doen te hebben met de pastoor. Zij vertelde dat zij haar man graag kwijt was en vroeg hem wat zij moest doen, om hem kwijt te raken. Haar man deed of hij zich eens goed bedacht en raadde haar toen: Zij mocht haar man natuurlijk niet van kant helpen, maar zij moest hem wel altijd het tegendeel geven, van wat hij vroeg.
De vrouw ging voldaan naar huis.
De man vroeg in het vervolg altijd, wat hij niet graag at en dan gaf de vrouw hem, wat hij juist hebben wilde. Dan zeide hij:
'Spek en eier in de pan
Doen mich den doedssteek an.'
of ook al:
'Spek en eier en wittebroed
Is miene bittren doed.
Erten en boene
Kinne mien hertsje kroene.'
De vrouw gaf de man natuurlijk zijn bittren dood of zijn doodssteek. Dat had zij al geruime tijd gedaan, maar de man werd met de dag dikker en zag er hoe langer hoe beter uit. Hij merkte wel, dat zijn vrouw hem begon te wantrouwen en daarom maakte hij haar wijs: 'Die eieren en dat spek deugen toch niet voor mij. Ik zie hoe langer hoe minder. Dat eten is slecht voor mijn ogen.'
Dat was voor de vrouw voldoende om met dat kostelijke eten door te gaan. Nadat dit weer een tijdje had geduurd, dacht zij toch: hij wordt maar niet blind. En zij was hem toch zo gaarne kwijt.
'Ach, vrouw,' klaagde de man, toen hij merkte dat zij het niet erg meer vertrouwde, 'ik ben mijn leven moe! Ik kan toch niet meer zien en heb toch niets meer aan het leven. Ik ga mij verdrinken!'
De vrouw hoorde niets liever dan dat; zij raadde het hem voor de schijn af, maar leidde hem op zijn aandringen toch tot aan de Maas, want hij kon immers niets meer zien.
'Nu ga ik aan het water staan,' zei hij. 'Ga jij nu wat terug, dan spring je in galop tegen mij aan en stoot mij zo in het water!'
De vrouw, blij dat haar liefste wens nu in vervulling zou gaan, ging en nam de nodige aanloop. De man, die heel goed kon zien, liet haar aangalopperen, sprong toen vlug terzij en liet haar zodoende in het water tuimelen.
'Och, lieve man!' riep zij nu, onder het onderduiken en weer bovenkomen: 'Help mij toch! Help mij toch! Ik verdrink!'
'Ach, lieve vrouw,' riep de man terug, terwijl zij voorgoed wegzonk, 'hoe kun je mij dat vragen! Je weet toch wel dat ik blind ben en niet kan zien, waar je ligt!'

Beschrijving

Een vrouw wil van haar man af. De man maakt er gebruik van door in plaats van de pastoor in de biechtstoel te kruipen en de vrouw van daaruit te vertellen wat zij moet doen.

Bron

Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970

Commentaar

1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Varia'.

Naam Locatie in Tekst

Maas    Maas   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20