Hoofdtekst
DvdH: Hij [Derk Postema] was ook bevriend met Eije Wijkstra. Eije Wijkstra heeft destijds vier politiemensen doodgeschoten. En d'r was ook een Karel bij. Karel, Karel... nogwat. Dat is weer een verhaal apart. Eije mocht graag schieten, weet je wel? En dan moest Derk Postema appels voor hem gaan halen. Net zo als Wihelm Tell, dan schoot 'ie door de appel heen. En Karel Friso (heette 'ie) die had een lucifersdoosje op zijn hoofd, en die schoot Eije d'r af. Een scherpschutter dus, hè?
RK: Dat is het verhaal, of heeft u dat zelf gezien?
DvdH: Nee, niet zelf gezien. Want toen was Eije d'r al niet meer; tenminste, die zat in de gevangenis. In 1929 al. Maar die Karel Friso... mijn vader was, kapper, heb ik al gezegd, dus die heb ik vaak ingezeept, net als Derk Postema. Al die mensen die kwamen één keer... Dat is ook wel een gewoonte van vroeger. Ze lieten de baard groeien, totdat het zaterdag was. Alleen de schoolmeester en de huurbaas die kwamen dus elke dag. Maar voor de rest: alle klanten kwamen één keer per week. Nou, en dan moest ik inzepen, hè?
GK: En hoe oud was u toen?
DvdH: Negen jaar. Ik stond op een stoof. Vroeger moest je vroeg...
GK: Alle mannen in te zepen...
DvdH: Ja, en dat kostte een dubbeltje per... We hadden tachtig scheerders 's zaterdags en dan hadden we 's avonds acht gulden. En dan had ik nog wel eens het geluk dat er ook wat vertegenwoordigers bij zaten, die gaven in plaats van een dubbeltje een kwartje... Dan had ik ook nog een paar centen.
GK: "Maar terug naar die Karel... Daar wou u iets over vertellen.
RK: Dat werd dus verteld van die Karel, tijdens zo'n kappersgebeuren?
DvdH: Ja. Zeker. Karel was onze klant. Ik ken Karel heel goed. Net zo goed als die Derk Postema. Alleen uh... ja, die Eije was toen al dood, of tenminste: die zat in de gevangenis. [...] Eije kon een lucifersdoosje van iemands hoofd schieten. En Karel dat was een uh... ja, die deed dat. Onnozel weg. Hij had altijd tabak hierlangs, weet je wel?
RK: Dat is het verhaal, of heeft u dat zelf gezien?
DvdH: Nee, niet zelf gezien. Want toen was Eije d'r al niet meer; tenminste, die zat in de gevangenis. In 1929 al. Maar die Karel Friso... mijn vader was, kapper, heb ik al gezegd, dus die heb ik vaak ingezeept, net als Derk Postema. Al die mensen die kwamen één keer... Dat is ook wel een gewoonte van vroeger. Ze lieten de baard groeien, totdat het zaterdag was. Alleen de schoolmeester en de huurbaas die kwamen dus elke dag. Maar voor de rest: alle klanten kwamen één keer per week. Nou, en dan moest ik inzepen, hè?
GK: En hoe oud was u toen?
DvdH: Negen jaar. Ik stond op een stoof. Vroeger moest je vroeg...
GK: Alle mannen in te zepen...
DvdH: Ja, en dat kostte een dubbeltje per... We hadden tachtig scheerders 's zaterdags en dan hadden we 's avonds acht gulden. En dan had ik nog wel eens het geluk dat er ook wat vertegenwoordigers bij zaten, die gaven in plaats van een dubbeltje een kwartje... Dan had ik ook nog een paar centen.
GK: "Maar terug naar die Karel... Daar wou u iets over vertellen.
RK: Dat werd dus verteld van die Karel, tijdens zo'n kappersgebeuren?
DvdH: Ja. Zeker. Karel was onze klant. Ik ken Karel heel goed. Net zo goed als die Derk Postema. Alleen uh... ja, die Eije was toen al dood, of tenminste: die zat in de gevangenis. [...] Eije kon een lucifersdoosje van iemands hoofd schieten. En Karel dat was een uh... ja, die deed dat. Onnozel weg. Hij had altijd tabak hierlangs, weet je wel?
Beschrijving
Eije Wijkstra kon een lucifersdoosje van het hoofd van Karel Friso schieten.
Bron
Opgetekend tijdens de verhalendag van het DOC Volksverhaal op het borgterrein Ewsum te Middelstum (opname archief Meertens Instituut)
Commentaar
25 november 2006
Naam Overig in Tekst
Karel Friso   
Eije Wijkstra   
Derk Postema   
Wilhelm Tell   
IJje Wijkstra   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
