Hoofdtekst
De zeven schepenen van Eys
Honderden jaren geleden waren er in de rijksheerlijkheid Eys bij Wittem, zeven schepenen, wijze en voorzichtige mannen. Wanneer zij onder de dorpslinde vegaderingen hielden, werden die altijd geopend met een afroeping van de namen der leden. De oude scholtis (voorzitter), kon echter nooit tot het getal zeven komen. Ofwel, hij telde zichzelf tweemaal mee, door met zichzelf de rij te beginnen en ze ook weer met zijn persoon te sluiten en kreeg dan acht leden, ofwel hij vergat zichzelf mee te tellen en dan waren het er maar zes.
Om nu alle zekerheid te krijgen werd er besloten dat in de toekomst ieder schepen zijn vuist in de mulle grond moest steken. Dan kon men de gaten tellen en wist men precies of men voltallig was, ja dan neen. En al vergiste zich de scholtis in het vervolg toch nog wel eens door zijn gat dubbel of niet te tellen, de burgervaderen van Eys hielden dit gebruik sedert die tijd toch trouw in ere.
De kerk van Eys stond op een hoogte en het was voor de oudere mensen heel moeilijk er te komen. In een van de schepenenvergaderingen stelde de oude scholtis, die zelf ook last had van het klimmen naar de kerk, dan ook voor de middelen te beramen, om dat ongemak te verhelpen. De schepenen moesten er eens goed over nadenken, maar vooral bezinnen eer te beginnen. Dat deden ze ook. Zij vergaderden lang en kwamen na veel wikken en wegen en redetwisten tot het besluit, de kerk naar beneden te schuiven.
Gedurende de gewichtige vergadering hadden zij als altijd op de grond gezeten. Zij waren er zo vermoeid van geworden, dat ze hun benen niet meer voelden en nu meenden ze ook, dat zij ze niet meer hadden en dat ze dus zoek waren geraakt. Hierover kregen ze ruzie met elkaar. Totdat het een varkenshoeder die in de nabijheid zijn kudde hoedde, begon te vervelen. Hij ging naar de vroede vaderen toe, sloeg ze plotseling met zijn zweep eens flink op de kuiten en zie, de wijze mannen sprongen verschrikt recht. Nu ze pijn merkten, voelden ze ook weer dat ze benen hadden.
De grote dag was gekomen. De kerk zou worden verschoven. De zeven schepenen zetten hun forse schouders tegen het kerkgebouw en duwden. De scholtis ging zien, of zij al wat hadden gewonnen. Hij meende van wel, doch de meningen waren erg verdeeld. De een meende van niet, terwijl de ander volhield dat de kerk had geschud door hun krachtsinspanning. Zij besloten het niet bij die eerste poging te laten. Zo werkten zij een tijdje voort, maar, hoezeer de scholtis ook verzekerde dat zij vooruitkwamen, de anderen waren er toch niet zo van overtuigd en het dispuut begon alweer. Tot men op een nieuwe inval kwam. Ze zouden de zo gewenste zekerheid hebben!
Zij trokken hun wambuizen uit en legden ze aan de andere zijde van het gebouw. Nu zouden ze toch zeker zien, of ze terrein wonnen. Weer hernamen zij hun geweldige arbeid van voren af aan.
Terwijl de vroede vaderen alle krachten inspanden om de kerk te doen wijken, passeerde er iemand aan de andere kant en zag de wambuizen liggen. Het was iemand van het slag dat alles kan gebruiken en niets laat liggen, behalve molenstenen en gloeiend ijzer. Hij stal de kleren en zette het op een lopen.
Toen de vroede vaderen dachten dat zij de kerk nu toch wel een heel eind in de goede richting hadden geduwd, schepten ze even adem en gingen eens zien, of zij dit keer iets hadden gewonnen. Dat kan niet anders, meenden ze allemaal, nu zij hun wambuizen niet meer vonden. 'Ditmaal hebben we gewonnen; de kerk is er als het ware, overheen gevlogen!'
Onderwijl was het avond geworden. Het was volle maan en buiten zo helder als de dag. Toen de zeven wijzen nu voorbij de beek kwamen, zag de scholtis de maan in het water spiegelen en was tegelijk verblijd en verwonderd. 'Kijk eens!' riep hij de anderen toe. 'Wat ligt daar een mooie kaas in het water! Die moeten wij hebben. Het zou toch zonde zijn, wanneer wij hem overlieten aan de vissen!'
Die moeten wij hebben!' riepen de anderen hem na.
Maar hoe erbij te komen? De beek was daar diep en de oever steil.
'Het zou toch ongepermitteerd zijn,' meende de scholtis 'als wij met al ons verstand niet aan die kaas konden komen! Wat zullen die van de andere dorpen ons uitlachen, als ze dat horen!'
'Wacht, daar schiet mij iets te binnen! We krijgen hem! We krijgen hem!' begon de scholtis al te roepen. 'Ziet gij daar die wilgeboom die zo over het water hangt? Welnu, we zullen ons daaraan laten hangen! Jij, smid, jij bent de sterkste, hou jij je boven vast aan de takken, dan ga jij, barbier, aan zijn benen hangen en de ander en zo vervolgens, als een ketting, tot ik de onderste schakel vorm en de kaas grijp! Ja, kaasje, we krijgen je! We krijgen je wel!'
Zo gezegd, zo gedaan. In een oogwenk hingen de schepenen van uit de wilg tot op het water en behoefde de scholtis maar te grijpen. Maar de smid, die de hele last te houden had en gewoon was bij een zwaar kwarweitje eens in de handen te spuwen, riep nu verstrooid: 'Wacht even, kameraden! Ik kan het niet goed meer houden, laat mij eens even in de handen spuwen!'
Dit zeggende, liet hij de boomstam los en ... de zeven beroemde wijzen tuimelden in het water en zonken als keien.
Daar zouden ze nu nog liggen en wanneer de volle maan aan de heldere hemel schijnt, ziet men ze nog spartelen in de beek en grijpen naar de kaas, die hen maar altijd ontglipt.
Nu zal iemand van Eys al gauw zeggen, dat deze geschiedenis niet in Eys kan gebeurd zijn, omdat hij daar geen schepenen kent. En die man heeft gelijk; er bestaan in Eys geen schepenen meer ... sedert ze verdronken zijn.
Honderden jaren geleden waren er in de rijksheerlijkheid Eys bij Wittem, zeven schepenen, wijze en voorzichtige mannen. Wanneer zij onder de dorpslinde vegaderingen hielden, werden die altijd geopend met een afroeping van de namen der leden. De oude scholtis (voorzitter), kon echter nooit tot het getal zeven komen. Ofwel, hij telde zichzelf tweemaal mee, door met zichzelf de rij te beginnen en ze ook weer met zijn persoon te sluiten en kreeg dan acht leden, ofwel hij vergat zichzelf mee te tellen en dan waren het er maar zes.
Om nu alle zekerheid te krijgen werd er besloten dat in de toekomst ieder schepen zijn vuist in de mulle grond moest steken. Dan kon men de gaten tellen en wist men precies of men voltallig was, ja dan neen. En al vergiste zich de scholtis in het vervolg toch nog wel eens door zijn gat dubbel of niet te tellen, de burgervaderen van Eys hielden dit gebruik sedert die tijd toch trouw in ere.
De kerk van Eys stond op een hoogte en het was voor de oudere mensen heel moeilijk er te komen. In een van de schepenenvergaderingen stelde de oude scholtis, die zelf ook last had van het klimmen naar de kerk, dan ook voor de middelen te beramen, om dat ongemak te verhelpen. De schepenen moesten er eens goed over nadenken, maar vooral bezinnen eer te beginnen. Dat deden ze ook. Zij vergaderden lang en kwamen na veel wikken en wegen en redetwisten tot het besluit, de kerk naar beneden te schuiven.
Gedurende de gewichtige vergadering hadden zij als altijd op de grond gezeten. Zij waren er zo vermoeid van geworden, dat ze hun benen niet meer voelden en nu meenden ze ook, dat zij ze niet meer hadden en dat ze dus zoek waren geraakt. Hierover kregen ze ruzie met elkaar. Totdat het een varkenshoeder die in de nabijheid zijn kudde hoedde, begon te vervelen. Hij ging naar de vroede vaderen toe, sloeg ze plotseling met zijn zweep eens flink op de kuiten en zie, de wijze mannen sprongen verschrikt recht. Nu ze pijn merkten, voelden ze ook weer dat ze benen hadden.
De grote dag was gekomen. De kerk zou worden verschoven. De zeven schepenen zetten hun forse schouders tegen het kerkgebouw en duwden. De scholtis ging zien, of zij al wat hadden gewonnen. Hij meende van wel, doch de meningen waren erg verdeeld. De een meende van niet, terwijl de ander volhield dat de kerk had geschud door hun krachtsinspanning. Zij besloten het niet bij die eerste poging te laten. Zo werkten zij een tijdje voort, maar, hoezeer de scholtis ook verzekerde dat zij vooruitkwamen, de anderen waren er toch niet zo van overtuigd en het dispuut begon alweer. Tot men op een nieuwe inval kwam. Ze zouden de zo gewenste zekerheid hebben!
Zij trokken hun wambuizen uit en legden ze aan de andere zijde van het gebouw. Nu zouden ze toch zeker zien, of ze terrein wonnen. Weer hernamen zij hun geweldige arbeid van voren af aan.
Terwijl de vroede vaderen alle krachten inspanden om de kerk te doen wijken, passeerde er iemand aan de andere kant en zag de wambuizen liggen. Het was iemand van het slag dat alles kan gebruiken en niets laat liggen, behalve molenstenen en gloeiend ijzer. Hij stal de kleren en zette het op een lopen.
Toen de vroede vaderen dachten dat zij de kerk nu toch wel een heel eind in de goede richting hadden geduwd, schepten ze even adem en gingen eens zien, of zij dit keer iets hadden gewonnen. Dat kan niet anders, meenden ze allemaal, nu zij hun wambuizen niet meer vonden. 'Ditmaal hebben we gewonnen; de kerk is er als het ware, overheen gevlogen!'
Onderwijl was het avond geworden. Het was volle maan en buiten zo helder als de dag. Toen de zeven wijzen nu voorbij de beek kwamen, zag de scholtis de maan in het water spiegelen en was tegelijk verblijd en verwonderd. 'Kijk eens!' riep hij de anderen toe. 'Wat ligt daar een mooie kaas in het water! Die moeten wij hebben. Het zou toch zonde zijn, wanneer wij hem overlieten aan de vissen!'
Die moeten wij hebben!' riepen de anderen hem na.
Maar hoe erbij te komen? De beek was daar diep en de oever steil.
'Het zou toch ongepermitteerd zijn,' meende de scholtis 'als wij met al ons verstand niet aan die kaas konden komen! Wat zullen die van de andere dorpen ons uitlachen, als ze dat horen!'
'Wacht, daar schiet mij iets te binnen! We krijgen hem! We krijgen hem!' begon de scholtis al te roepen. 'Ziet gij daar die wilgeboom die zo over het water hangt? Welnu, we zullen ons daaraan laten hangen! Jij, smid, jij bent de sterkste, hou jij je boven vast aan de takken, dan ga jij, barbier, aan zijn benen hangen en de ander en zo vervolgens, als een ketting, tot ik de onderste schakel vorm en de kaas grijp! Ja, kaasje, we krijgen je! We krijgen je wel!'
Zo gezegd, zo gedaan. In een oogwenk hingen de schepenen van uit de wilg tot op het water en behoefde de scholtis maar te grijpen. Maar de smid, die de hele last te houden had en gewoon was bij een zwaar kwarweitje eens in de handen te spuwen, riep nu verstrooid: 'Wacht even, kameraden! Ik kan het niet goed meer houden, laat mij eens even in de handen spuwen!'
Dit zeggende, liet hij de boomstam los en ... de zeven beroemde wijzen tuimelden in het water en zonken als keien.
Daar zouden ze nu nog liggen en wanneer de volle maan aan de heldere hemel schijnt, ziet men ze nog spartelen in de beek en grijpen naar de kaas, die hen maar altijd ontglipt.
Nu zal iemand van Eys al gauw zeggen, dat deze geschiedenis niet in Eys kan gebeurd zijn, omdat hij daar geen schepenen kent. En die man heeft gelijk; er bestaan in Eys geen schepenen meer ... sedert ze verdronken zijn.
Onderwerp
AT 1287 - Numskulls Unable to Count their own Number   
ATU 1287 - Numskulls Unable to Count their own Number.   
Beschrijving
Honderden jaren geleden waren er zeven schepenen. Zij vergaderden altijd onder de dorpslinde en vooraf werden de namen van de leden afgeroepen. De oude voorzitter kon echter nooit tot het getal zeven komen. Dit werd als volgt opgelost. Er werd besloten dat ieder schepen zijn vuist in de mulle grond moest steken, dan kon men de gaten tellen en wist men of men voltallig was.
Zo wilden deze zeven schepenen ook de kerk naar beneden schuiven omdat het voor de oudere mensen moeilijk was er te komen. Zij zetten hun schouders tegen het kergebouw en duwden. De voorzitter ging kijken en dacht dat de kerk verschoven was. Maar de meningen waren verdeeld. Door hun wambuizen uit te trekken en aan de andere zijde van het gebouw te leggen zouden ze zien of ze terrein wonnen. Er kwam iemand langs en stal de wambuizen. De schepenen gingen kijken en meenden dat de kerk nu werkelijk verschoven was nu zij hun wambuizen niet meer zagen. 'Ditmaal hebben we gewonnen; de kerk is er als het ware, overheen gevlogen!'
Het was avond geworden en het was volle maan. De zeven wijzen kwamen voorbij een beek. De voorzitter zag de maan in het water spiegelen en dacht dat daar een kaas lag. Die wilden zij hebben. Aangezien ze er zo niet bij konden probeerden ze het via een wilgeboom die daar over het water hing. De schepenen gingen aan elkaar in de wilgeboom hangen om zo bij de kaas te komen. De schepen die de andere schepenen onder zich had hangen werd moe en wilde in zijn handen spuwen, waardoor ze alle zeven in het water vielen en verdronken. Sinds de zeven schepenen verdronken zijn bestaan er in Eys geen schepenen meer.
Zo wilden deze zeven schepenen ook de kerk naar beneden schuiven omdat het voor de oudere mensen moeilijk was er te komen. Zij zetten hun schouders tegen het kergebouw en duwden. De voorzitter ging kijken en dacht dat de kerk verschoven was. Maar de meningen waren verdeeld. Door hun wambuizen uit te trekken en aan de andere zijde van het gebouw te leggen zouden ze zien of ze terrein wonnen. Er kwam iemand langs en stal de wambuizen. De schepenen gingen kijken en meenden dat de kerk nu werkelijk verschoven was nu zij hun wambuizen niet meer zagen. 'Ditmaal hebben we gewonnen; de kerk is er als het ware, overheen gevlogen!'
Het was avond geworden en het was volle maan. De zeven wijzen kwamen voorbij een beek. De voorzitter zag de maan in het water spiegelen en dacht dat daar een kaas lag. Die wilden zij hebben. Aangezien ze er zo niet bij konden probeerden ze het via een wilgeboom die daar over het water hing. De schepenen gingen aan elkaar in de wilgeboom hangen om zo bij de kaas te komen. De schepen die de andere schepenen onder zich had hangen werd moe en wilde in zijn handen spuwen, waardoor ze alle zeven in het water vielen en verdronken. Sinds de zeven schepenen verdronken zijn bestaan er in Eys geen schepenen meer.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Varia'.
Numskulls unable to Count their own Number; AT 1326, Moving the Church; AT 1336, Diving for Cheese
Naam Locatie in Tekst
Eys   
Wittem   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
