Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BLECOURTNB0284 - 4.3. De Sagencyclus van Jan de Wyse

Een sprookje (boek), (foutieve datum)

Hoofdtekst

4.3.
Jan de Wijs ging veul op reis, die had altij' as 't ie hier op Overa was, hardlopers om boodschappen te doen, die moesten lopen zo hard as ze kosten. Hij ging 't Bels in en hij zou mee z'n volk overnachten in een café; toen kwamp er 'n ouwe vrouw, die doar 't werk dee en die dee niks as zuchten.
Ie vroeg haar waarom ze zo zuchtte.
'Ik mag niks zeggen' zeej.
'Zeg het moar, dan hedde geen gevoar, dan neem ik jou mee: Ik ben Jan de wijs.'
Toen zee ze: ''t Is hier een rovershol. As poaters verkleed kommen ze en ze vermoorden allen, die geld bij zich hebben.'
Toen wapende Jan de Wijs zijn volk en ie zou de geestelijken in het latijn toespreken en as ze niet antwoordden, zou ie zeggen: 'Vuur!'
Dat heeft ie gedoan en toen ze nie' antwoordden, riep ie 'Vuur!'
Al de rovers zijn toen doodgeschoten of gevangen genomen.
Hij zou z'n peerden an 't lopen zetten en woar ze vielen zou ie een kerk zetten en dat is an de Dreef gebeurd.
Toen heeft ie nog eikebomen uit Overa oan het klooster gezet en pas zijn de lesten weg. Ik heb er nog omvergehakt, en die ik omvergehakt heb was drie meter vijf dik.

Onderwerp

AT 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories    AT 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories   

ATU 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories.    ATU 0968 - Miscellaneous Robber and Murder Stories.   

Beschrijving

Vrouw vertelt Jan de Wijs dat de herberg waar hij wil overnachten een rovershol is, waar als paters verkleedde mannen mensen met geld vermoorden. Jan de Wijs bewapent zijn metgezellen en spreekt af dat hij de paters in het latijn zal toespreken, en als zij niet antwoorden, zijn vrienden zullen schieten. Daarna laat hij de paarden lopen, waar ze neervallen wordt een kerk gebouwd. Om het klooster heeft hij later eikebomen gezet.

Bron

Willem de Blécourt. Volksverhalen uit Noord Brabant. Utrecht [etc.]: Het Spectrum, 1980. p. 143

Motief

K311 - Thief in disguise.    K311 - Thief in disguise.   

K1826.1 - Disguise as monk.    K1826.1 - Disguise as monk.   

V111.3 - Place where a church must be built miraculously indicated.    V111.3 - Place where a church must be built miraculously indicated.   

Commentaar

Deze drie verhalen werden mij verteld te Overa (gemeente Breda) door Franciscus van R., geboren te Teteringen op 6 januari 1884, gewezen voorwerker bij de 'Maatschappij Utrecht' en jager, godsdienst R.K. Hij had deze drie verhalen gehoord van een der belgische jonkers Montens, die hier vaak kwamen jagen.
Aanzienlijke bezittingen van Jan de Wyse zijn door erfenis aan het geslacht Montens gekomen, en dus zijn deze verhalen eigenlijk familieoverleveringen, zoals trouwens met de meeste sagen het geval is.
Franciscus van R., een levendig verteller, meent dat hij verwant is aan de jonkers van R., in Brabant zeer bekend. De traditie in zijn familie spreekt van overgrootouders, die grote bezittingen hadden in Zundert, maar jong stierven, waarna een ontrouwe voogd het geld er door lapte en nog zo veel schulden maakte dat al deze goederen verkocht moesten worden. Franciscus gelooft vast in deze traditie en zijn houding in het leven wordt hierdoor mede bepaald: het behoeft ons dus niet te verwonderen dat een jonker Montens hem, in het gezellig samenzijn na de jacht, deze verhalen deed.
Van het eerste verhaal 'Vuur, of ik gooi je weg', zijn mij geen varianten bekend in ons taalgebied; van het tweede 'De dappere barbiersjongen' vinden wij een variant bij Victor de Meijere; diens verhaal speelt zich af in Antwerpen en de man die zich laat scheren is een spaans militair. Zie Victor de Meijere, "De Vlaamse Vertelschat", deel 3 (Antwerpen-Santpoort 1929), blz. 205-206.
Het derde verhaal is zeer bekend in de Baronie van Breda, en behalve enige complete teksten, tekende ik nog verschillende fragmenten op. Dit komt mede omdat het hier een verhaal betreft, dat gedrukt is in bedevaartboekjes van Meersel-Dreef, waar sinds 1894 een 'grot van Lourdes' duizenden pelgrims lokt. De oudste gedrukte tekst die ik kon opsporen dateert van 1909 en is te vinden in "Meersel, zijne kapel en grot, zijn Capucienenklooster en zijne St. Anna kostschool. Het jubeljaar van Lourdes te Meersel" (door A. Rommens), Hoogstraten, z.j. (1909).
In het kort komt het verhaal hierop neer:
Joannes de Wyse, een schatrijk koopman uit Breda, zal in een herberg even over de grens enkele handelaars, Ivo en Renier geheten, ontmoeten. Hij spreekt daar met een onderkomen jong meisje, dat hem snikkend mededeelt dat hij in een 'moordenaarshol' terecht gekomen is en de waard in verbinding staat met een roversbende. Vijf rovers zullen, als monniken verkleed, verschijnen en hem afmaken.
Joannes belooft aan de Maagd Maria om op deze plek een klooster te bouwen, wanneer hij aan dit geval zal ontsnappen en spreekt met de beide andere kooplieden, die inmiddels zijn aangekomen, af dat zij zullen schieten, zodra hij een teug wijn zal spuwen.
Als de gewaande monniken binnen komen, spreekt hij hen in het latijn aan, en daar zij niet antwoorden, spuwt hij een teug wijn uit en onmiddellijk vallen vier schoten. Vier rovers liggen dood op de vloer in de herberg, want zowel Ivo als Renier hebben er twee voor hun rekening genomen, terwijl de vijfde, tezamen met de waard en diens crapuleuse oude moeder later ter dood worden gebracht.
Het brave meisje belandt in een convent en op de plek, waar de herberg stond, verrijst het Capucijnerklooster van Meersel-Dreef.

Uit mededelingen van de schrijver A. Rommens blijkt, dat dit verhaal in de volksmond leefde. 'Het is ook niet mogelijk dat deze legende louter een uitvindsel zou zijn. Wie zou ooit op de gedachte komen van zulke geschiedenis te verzinnen, door woord of geschrift bekend te maken en bij 't volk als een ware gebeurtenis te doen doorgaan?
Rommens betwijfelt zeer dat deze historie zich op de Dreef afspeelde, en wijst er op dat volgens 'eene geloofwaardige verklaring' 'een zeer oud rijmdicht zou bestaan waarin deze aanval beschreven is als gebeurd tusschen de steden Aken en Keulen.' Hoewel deze tekst in hoofdtrekken overeenkomt met het verhaal dat wij van R. optekenden, en dat aan een familieoverlevering ontleend kan zijn, zijn de afwijkingen opvallend. De namen der kooplieden Ivo en Renier zijn literaire vondsten, evenals, zo menen wij, het uitspuwen van de teug wijn, terwijl de klagende wees, die in het klooster terechtkomt, geheel past in de larmoyante stijl der late religieuze romantiek.
In de volkssagen is een geheel andere sfeer merkbaar dan in deze gedrukte tekst. Jan de Wyse is niet het uitgezochte slachtoffer, die eerst dank zij Maria's hulp (een motief dat niet ouder kan zijn dan 1894, het jaar de Meersel-Dreef een Mariaoord werd) op de ingeving komt om aan het gevaar te ontsnappen, maar de man die er op uittrekt om de rovers te vangen.
De volkssagen verrijken het verhaal ook met telkens nieuwe trekken, typische sprookjes- en sagenelementen; als voorbeeld koos ik een vertelling, die ik te Etten optekende en waarin twee hulpvaardige honden, met de eigenaardige namen 'Bitter' en 'Zuur', de held vergezellen, terwijl een geliefd thema in de roverssprookjes, het draaibed, hier is ingevlochten.
Miscellaneous Robber and Murder Stories

Naam Overig in Tekst

Jan de Wijs    Jan de Wijs   

Bels    Bels   

Meersel-Dreef    Meersel-Dreef   

Naam Locatie in Tekst

Overa    Overa   

Dreef    Dreef   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20