Hoofdtekst
JA: Nou ja, weet je wat wel op het dorp hebben. Dat is misschien iets anders, misschien iets wat je helemaal niet bedoelt, iets wat dus waar gebeurd is. En daar zijn wel leuke bij. Maar misschien is dat wel de bedoeling niet.
RK: Zoals?
JA: [...] Wij hadden dus die leedaanzeggers, en dan met die zwarte koetsen, met die gordijnen erover hè. [...] Maar, als er nou iemand in Groningen overleden was, in het ziekenhuis, vroeger dan...dan gingen ze met die koets naar Groningen om dat lijk, dat gekiste lijk, dan, op te halen en daar kwam dan ook zo'n zwart gordijn overheen. En nou had je hier vandaan...vroeger had je alleen maar, eh, sniek[?] waarmee je naar Groningen kon. Nou ja, of met een fiets. Maar de sni[e]k was dan ook nogal geliefd. Maar dinsdags gingen die boeren natuurlijk naar de markt. Ook met die sni[e]k. En nou ja, wat was het dan? Dan was het natuurlijk na die tijd even een borreltje gebruiken hè. Dus...maar, toen was één van die mannen, die had zich wel even verlaat. Die was wel even te lang in de kroeg gebleven. En dan moesten ze dus, ja nee, je komt hier niet vandaan [gericht aan notulist]...dat noemen ze de Steentilbrug, die moest je dan nog weer over. En dan lag die snik daar in het Damsterdiep. En van de Oosterstraat uit kwam hij: "Och hee, de snik is weg. Oh, wat zou mien vrouw nu kwaod worden." Want dan moest 'ie nog twee uur lopen naar huis hè. En net dat 'ie zich..dat 'ie kijkt nog, of die snik nog ergens is, hoort 'ie achter zich paarden lopen en hij kijkt om...hij denkt: "Hee, hee, dat is de koets van Janske." Wie er dan dood gegaan was, wist 'ie niet eens, maar de koets is al voorbij, dus die man die zag het dus niet. Heeft 'ie dat zwarte gordijn dus opgetild, en is 'ie op de kist gaan zitten. Nou, niemand zag dat hij er op zat, want het gordijn was naar beneden. Maar ja, Janske, die eh...[lacht] die vond...als 'ie met zo'n lading van de stad kwam, dat 'm ook wel een borreltje toe kwam. En die stopte dus bij elke herberg...hadden ze zo'n doorgang. Daar kon je dus doorrijden en kon je tegen een raampje tikken en even een borreltje drinken. Nou. En [in] de koets zelf zat hij zich te verbieten, want 'ie had ook nadorst, maar ja...Afijn. Maar toen 'ie dus bij de laatste herberg was, en dat was hier dichtbij, in Ten Boer dan, dicht bij Ten Boer...toen stak 'ie z'n hand onder het gordijn weg en dan zegt 'ie: "En nou geef mij ook maar één!" Nou, die mannen die schrokken zich wezenloos natuurlijk [lacht luid] [Ze] lieten de jeneverfles vallen, die kastelein....en dat is dus waar gebeurd. Ja. Dus. Dat verhaal gaat altijd nog over die man. [..] En dit verhaal, dat ik nou vertel. Nou, ja, dat weet het halve dorp hoor. Slimme Jan heette die man.
RK: Zoals?
JA: [...] Wij hadden dus die leedaanzeggers, en dan met die zwarte koetsen, met die gordijnen erover hè. [...] Maar, als er nou iemand in Groningen overleden was, in het ziekenhuis, vroeger dan...dan gingen ze met die koets naar Groningen om dat lijk, dat gekiste lijk, dan, op te halen en daar kwam dan ook zo'n zwart gordijn overheen. En nou had je hier vandaan...vroeger had je alleen maar, eh, sniek[?] waarmee je naar Groningen kon. Nou ja, of met een fiets. Maar de sni[e]k was dan ook nogal geliefd. Maar dinsdags gingen die boeren natuurlijk naar de markt. Ook met die sni[e]k. En nou ja, wat was het dan? Dan was het natuurlijk na die tijd even een borreltje gebruiken hè. Dus...maar, toen was één van die mannen, die had zich wel even verlaat. Die was wel even te lang in de kroeg gebleven. En dan moesten ze dus, ja nee, je komt hier niet vandaan [gericht aan notulist]...dat noemen ze de Steentilbrug, die moest je dan nog weer over. En dan lag die snik daar in het Damsterdiep. En van de Oosterstraat uit kwam hij: "Och hee, de snik is weg. Oh, wat zou mien vrouw nu kwaod worden." Want dan moest 'ie nog twee uur lopen naar huis hè. En net dat 'ie zich..dat 'ie kijkt nog, of die snik nog ergens is, hoort 'ie achter zich paarden lopen en hij kijkt om...hij denkt: "Hee, hee, dat is de koets van Janske." Wie er dan dood gegaan was, wist 'ie niet eens, maar de koets is al voorbij, dus die man die zag het dus niet. Heeft 'ie dat zwarte gordijn dus opgetild, en is 'ie op de kist gaan zitten. Nou, niemand zag dat hij er op zat, want het gordijn was naar beneden. Maar ja, Janske, die eh...[lacht] die vond...als 'ie met zo'n lading van de stad kwam, dat 'm ook wel een borreltje toe kwam. En die stopte dus bij elke herberg...hadden ze zo'n doorgang. Daar kon je dus doorrijden en kon je tegen een raampje tikken en even een borreltje drinken. Nou. En [in] de koets zelf zat hij zich te verbieten, want 'ie had ook nadorst, maar ja...Afijn. Maar toen 'ie dus bij de laatste herberg was, en dat was hier dichtbij, in Ten Boer dan, dicht bij Ten Boer...toen stak 'ie z'n hand onder het gordijn weg en dan zegt 'ie: "En nou geef mij ook maar één!" Nou, die mannen die schrokken zich wezenloos natuurlijk [lacht luid] [Ze] lieten de jeneverfles vallen, die kastelein....en dat is dus waar gebeurd. Ja. Dus. Dat verhaal gaat altijd nog over die man. [..] En dit verhaal, dat ik nou vertel. Nou, ja, dat weet het halve dorp hoor. Slimme Jan heette die man.
Onderwerp
VDK 1318D* - De stem uit de doodkist   
Beschrijving
Man mist de trekschuit omdat hij te lang in een café is gebleven. Hij besluit onder het zwarte gordijn van een doodskist op de lijkkoets te gaan zitten. De voerman neemt bij elke herberg een borrel. Bij de laatste herberg schrikt iedereen als de man bij de doorrit vanonder het zwarte gordijn zijn hand uitsteekt en ook om een borrel roept.
Bron
Letterlijk afschrift van DAT-opname.
Commentaar
15 november 2006
JA: Janny Arkema; RK: R.A. Koman
De stem uit de doodkist
Naam Overig in Tekst
Janske   
Jan   
Slimme Jan   
Naam Locatie in Tekst
Groningen   
Damsterdiep   
Steentilbrug   
Oosterstraat   
Ten Boer   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
