Hoofdtekst
Ik was getrouwd en ik woonde op de Bavelse weg; mijn moeder was bij mij in of ik bij moeders in, zo as ge 't noemen wilt, zo was 't eigenlijk wel, en ik had een kleintje en dat was zo wat een half jaar oud.
We zouwen op reis gaan, maar ik had niks om wat in te doen, want de daggelden waren toen niet zo groot om zo maar een valieske en een koffertje of 't een en ander te kopen. Toen gaat er een ouwe vrouw voorbij. Ik zeg: 'maar vrouw Dielissen, wa' hedde toch een mooie spoormand, mag ik die van jou's lenen: ik moet met een dag of vier naar Hees toe en ik zou een spoormand toch zo graag eens hebben om wa' luiers en een paar jurkies en zo in mee te nemen'.
'O gerust, die kande gij hebben'.
Ze viet er de boodschappen uit en ze gaf ze al direct en ikke wreed met m'n mooie spoormand. Ik docht: wat zullen ze in Hees opkijken dat ik toch zo'n mooie spoormand heb.
We gaan er naar toe, we komen terug en ik doe ene buil met koekskes er in en ik laat ze bedanken, hé; moeder brocht ze terug.
Maar was ik nou wijs geweest en had ik er nou maar een paar kwartjes ingedouwd, dan had ze me niks kunnen doen, maar met die koekskes, toen had ze macht op me.
Ons Marieke wier 's nachts wakker en schreeuwen en trekken mee ermpjes en beentjes, en die wier maar door die wieg getrokken. Nou zulde zeggen, ja, geloof het niet. Ik moest het geloven, want ik zag het!
En toen op enne nacht, 't had al zo lang geduurd, toen kwam er ene bons ... we sliepen in een bedstee en ik had een lichtje op de beddeplank staan; dat lichtje viel om, maar het bleef branden; het glaasje drinken viel om en 't liep niet leeg. Dat vertelde ik 's morgens aan mijn buurvrouw, toen zee ze: 'nou is het lang genoeg geweest!'
Maar as we 's avonds buiten kwamen, zo konden we niet gaan, zo zachtjes de deur niet opendoen of de linkse hoek van het stoepke, daar zat de kat en daar zat ze maar te mauwen en da' was verschrikkelijk.
Toen op enne avond, zat ze d'r weer. M'n zwager was bij ons in de kost en die zeit: 'kom nou 's kijken, nou zit ze in de kippenkooi van Jan van Zon'. 'Hedde geen kokend water', zee Jan van Zon. Jan kwam mee de lanteern!
Ik zeg: 'ja, de volle ketel'.
Ons Albert ging diejen ketel water halen. Ze kon de kippenkooi onmogelijk uit, d'r zat geen gat in, en zo zouwen we haar met dat kokend water begieten, maar ja wel, toen Albert met het kokend water bij die kippenkooi was, zat het wijf, of die kat dan, boven op het dak van het schuurke: we konden ze nie' raken.
Toen zei m'n buurvrouw: 'nou ga ik naar de pastoor; nou moet het maar uit zijn'.
Zij ging naar de pastoor toe en die kwam.
's Nachts mochten we beslist niet buiten komen as we leven hoorden, en 's morgens kwamen we buiten - we woonden in een rij van vijf woningen - en toen was heel de tuin rond gegraven en over de straat henen en daar had die pastoor heiligdom in bewaard.
Toen kon ze nie' meer bij ons op de werf komen en zo doende waren we van haar af enne ons Marietje was weer klaar.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Bron
Motief
G211.1.7 - Witch in form of cat.   
G224.14.b   
G271.2.4 - Priestly exorcism for witch.   
Commentaar
De volledige naam van de vertelster is Antoinetta Maria Verbeek-Beenen. De bandopname van 21 oktober 1957 moet met opzet verkeerd gedateerd zijn, want de vertelster was toen al bijna een jaar overleden.
Naam Overig in Tekst
Bavelse   
Dielissen   
Marieke   
Jan van Zon   
Albert   
Marietje   
Naam Locatie in Tekst
Hees   
Plaats van Handelen
Ginneken (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
K179p   
