Hoofdtekst
Een waar monsterproces. Het begon met de maerte van den pastoor, die den heer zou betooverd hebben door hem peren te geven, en een kind door het te liefkozen. Vijf-en-twintig jaren geleden – zoo bekende de ongelukkige – had zij een leugen bevestigd met de woorden: dat zij den duivel lijf en ziel overgaf; sedert had hij haar altijd zoeken te 'becoren', en nu vóór 8 jaar, terwijl zij in Den Bosch bij den bisschop diende, tot een verbond met hem verleid. Zij noemde ook verscheidene vrouwen aldaar, met wie zij op Sint-Janskerkhof had gedanst – de namen zijn in 't protocol 'om redenen gedeleert', waarschijnlijk omdat de heer van M. of wel de schout zelf Mijnheer den hoogschout liefst buiten de zaak zag blijven. – Wij zien hier een voorbeeld van de wijze, waarop een onnoozel mensch eerst tot de meening kon komen, aan den Duivel vervallen te zijn; en vervolgens, alles beleefd te hebben, wat naar het volksgeloof tot dien toestand behoorde. De pijn wrong haar de namen van anderen uit den mond; en dezen weêr anderen; van Mierlo sloeg de razernij naar Lierop over. Bij de waterproef dreven allen, behalve eene vrouw van dertig jaar en een van de slechts twee mannen, die beschuldigd waren. Deze beide werden dan ook losgelaten. Vijftien in 't geheel – allen behoeftig; eene wordt een arm straetvercken genoemd, – werden verbrand; zij die berouw toonden – weêr als bij de Inquisitie! – vooraf geworgd. Hartroerend is het te lezen, hoe eene der slachtoffers de schepenen – die haar veroordeeld hadden! – smeeckte op haar kind te willen toezien, en 'bad om een corte doot'; en een andere verzocht haar bekentenis geheim te houden, 'opdat niet en soude worden voergestoten oft verweten haerer dochter'. Eene stierf aan de pijniging, tot in den dood hare onschuld volhouden. De heer van Lierop – maar al te waarschijnlijk meer door hebzucht dan bijgeloof gedreven – liet ook sommigen voor grof geld 'composeeren', d.i. geding en straf afkoopen.
Al de anderen bekenden in hoofdzaak 't zelfde. Zij hadden ieder een duivel tot boel, die 'van nature' koud was; van een wordt nog duidelijker gezegd 'dat hij coude cullen (testes) hadde'. Deze beminnelijke heeren heetten Barlebos, Belzebuth, Eenhoren, Croeshaen, Lucifer, Malcus, Reyn, Reynau, Sathanas en Struys. Ze bezochten hunne liefjes meestal als een 'fraey jongelinc', soms als een 'middelbaar man', gewoonlijk in 't zwart met een gepluimden hoed; Lucifer echter in een blauwe mandille (Spaanschen mantel) en Croeshaen in 't rood, een ander eerst als een haas; Lucifer eens als een zwarte hazewind, om dan in een jongeling te veranderen. Zij beloofden haar veel geld en goed van deze waereld, 'maer (hebben) haer nyet gegeven'; lieten haar 't Christendom of kortweg God verloochenen; namen haar 't chrisma van 't voorhoofd, zonder pijn te doen; en voerden haar ten dans, in 't 'oude goor' te Mierloo, te Marsel, bij den molen te Lierop of in 't huis van den pastoor (!) te Helmond; of wel leerden haar, daarheen te vliegen met behulp van een zalf, gemaakt uit menschenvet van 't kerhof gehaald, die zij zich op de borst, onder de oksels en elders moesten smeren. Een enkele maal is ook sprake van rijden op zwarte paarden, 'leech over die heyde' en van vliegen 'tot Keulen in den wijnkelder'. Op die plaatsen werd gedanst op de maat van 'soete instrumenten sonder singen' ook wel van een harp of veêl; – de speelman heette Floret en was gekleed in 't zwart met haren 'aventrocken'; – daarna gebanketteerd (waarna men echter thuis komende weêr even hongerig was) en pret gemaakt 'dattet nyet te seggen en is'; geboeleerd en ten slotte den boelen en den oversten der hel 'reverentie gedaen' met een kus – waarschijnlijk op hun achterste. Riep een voorbijganger 'Jezus!', dan verdween alles.
Voorts dwongen de boelen de heksen, deze en gene lieden of hun vee te dooden, door hun haren in 't lijf te tooveren met de woorden: 'dat u den duyvel dit in 't lijff vuere'; of door vergif in de weide te strooien (dat kon ook wel zonder tooverij, zou men allicht meenen) enz.; en vooral kwaad te doen, die haar goed gedaan hadden. De middelen waren appelen, een 'nest' van heur haar, 'swart ende wit dinc als peper ende gember', dat de duivel haar gaf, enz. Zij hadden echter geen macht over iemand die haar iets gegeven had met de woorden 'om Gods wil'.
De eenige man, die bij de waterproef dreef en dientengevolge op de pijnbank gebracht werd, had natuurlijk een duivelsche boelin gehad; zij heete Serpens, verscheen hem als een vrouw 'fraey gecleedt ende hadde schoon lang lobben aan'; en gaf hem geld dat later in ronde bladeren veranderde; 'oick (bekende hij) dat hy dry mael daer mede te doen heeft gehadt; ende dat sy nature hadde oft twee ysers hadden geweest; ende was cout ende hadde een cael gemecht'. De 'heksen' kenden ook allen een gebedeken van toverie, dat zij zeer gedienstig den gevangenbewaarder leerden. Deze zei het voor schout en schepenen gedeeltelijk op:
's morgens als ik opsta,
in mijnen groenen gordel dat ik ga,
hooch, leech, berch, dael,
bies, bout (?) so menichfout,
door dat wilt wout,
verder durfde de brave stokbewaarder niet gaan 'om niemant te scandaliseren; en datter in gelegen is groot peryckel'. 't Is de vraag of wij er veel bij verliezen. Zéér oud is het versje zeker niet, reeds om 't eindrijm, al komt er dan ook tevens – maar mogelijk onbedoeld – aanrijm in voor. Ook taal en metrum (of liever 't gebrek daaraan) wijzen op de 16e eeuw. Misschien was 't niets dan een 'aftel-' of ander kinderrijmpje, dat de stumpers jaren her hadden geleerd, en nu in hare verbijstering voor een tooverspeuk hielden. Want dat zij geheel in de war waren, blijkt voldoende uit iets zeer merkwaardigs: ze konden geen van allen schreien – voor den schout een afdoend bewijs van schuld. (Dit wordt uit Boguet aldus toegelicht, dat de duivel den toovenaars en heksen 't schreien belet, omdat tranen, volgens Bernhard van Clairvaux, Gods toorn verzachten).
Sommige betooverden of ouders van betooverde kinderen lieten zich zelf of deze door de gevangenen 'zegenen' (één spreekt van 'ontsegenen') om genezen te worden; deze geloofden dus niet, dat zoodanige zegening, om van kracht te zijn, in vrijheid moest geschieden. Wèl geloofde dit, naar 't schijnt, een boer, wiens koeien betooverd waren en die al zijn buren opriep om ze te 'zegenen' met de woorden: 'God segen die koeyen ende de goede Sint-Bree'; één vrouw zeide, denkelijk bij ongeluk: 'Heer huedt de koeyen!', waarop de eigenaar haar vroeg welken heer zij bedoelde? 'want datter veel heeren waren'. Ontsteld liep de vrouw weg – en bracht daardoor zich zelven en eenige anderen op den mutsaard.
Beschrijving
Bron
Motief
G243.3 - Witches have sexual intercourse with devil or his minions.   
G247 - Witches dance.   
G224.2 - Witch‘s salve.   
G303.6.2.1 - Devil appears invisible among dancers.   
G265.4.1.1* - Witch causes death of cattle.   
Commentaar
Zuidema: 776-779. Bewerking: Sinninghe 1933: 116-118, (no. 172), 1964: 89-90.
Enkele voorbeelden van heksengeloof en procesvoering, samengesteld aan de hand van W. Zuidema, 'Heksen en Heksenvervolging', Noord-Brabantsche Almanak (1893): 714-784, Hermans 1848, enkele stukken uit de Collectie Cuypers van Velthoven, berustend in het Rijksarchief der provincie Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch, en een krantenbericht. Hierbij zij opgemerkt dat Zuidema al zijn materiaal heeft geput uit de genoemde collectie Cuypers van Velthoven, maar lang voordat de thans gebruikte inventarisering tot stand was gekomen. Deze inventarisering biedt jammer genoeg geen directe ingangen op de door Zuidema gebruikte stukken, zodat een preciese bronvermelding niet mogelijk was. Zie voor commentaar 8.6.
6 Heksenprocessen
Naam Overig in Tekst
Sint-Janskerkhof   
M.   
Mijnheer   
Duivel   
Inquisitie   
Belzebuth   
Eenhoren   
Croeshaen   
Lucifer   
Malcus   
Reyn   
Reynau   
Sathanas   
Christendom   
God   
Marsel   
Jezus   
Serpens   
Boguet   
Bernhard van Clairvaux   
Sint-Bree   
Naam Locatie in Tekst
Mierloo   
Lierop   
Den Bosch   
Mierlo   
Barlebos   
Struys   
Helmond   
Keulen   
Plaats van Handelen
Mierlo (Noord-Brabant)   
Lierop (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
L241p   
L242p   
