Hoofdtekst
Onder de Berghjes, van welcke in de voorgaende Distinctie is gewach gemaeckt/ vindt men eenige die ingevallen zijn/ en zijn/ voortijds van binnen hol geweest: en dese zijn doorgaens de grootste. In wat Landt dat men komt/ soo hoort men alle menschen uyt eenen mondt spreken/ dat die voortijds geweest zijn woonplaetsen der witte Wijven, en de gedachtenisse eeniger harer wercken en seyten is noch soo versch in de memorie van veel grijse hoofden/ als wannerse noch onlangs gebeurt waren.
In wat plaetsen dat men dese wooningen der witte Wijven vindt/ sal men de Ingesetenen eendrachtigh van haer in 't gemeyn hooren verklaren/ namelijck: dat in sommige deser groote Bergen de witte Wijven hebben gewoont: dat 'et omtrent dese Berghjes grouwelijck heeft gespoockt: dat men in den selven dickwijls een deerlijck gekrijt/ gekerm en weeklagen van mannen/ vrouwen en kinderen ghehoort heeft: datse by dagh en nacht dickwijls van barende en noodtlijdende vrouwen zijn gehaelt/ en souden die gheholpen hebben/ oock dan wanneer alles desperaat was: datse de superstitieuse menschen souden gewichelt/ haer geluck en ongeluck voor-geseyt hebben: datse gestoolen/ verlooren en vervreemde goederen wisten aan te wijsen waer die schuylden: dat die Landtsaten de selve met groote eerbiediheyt geeert hadden/ als wat Goddelijcks in haer erkennende; dat eenieg Ingesetenen/ by sommige gelegentheden/ in dese Berghjes geweest waren/ en hadden aldaer ongelooflijcke dingen gesien en ghehoort/ maer hadden/ op perijckel van haer leven/ niet een woort mogen spreken; datse snelder waren geweest als eenige creatuyren; dat zy altijd in 't wit waren gkleedt geweest/ en wierden daerom niet witte Wijven, maer simpliciter de Witten genaemt.
In wat plaetsen dat men dese wooningen der witte Wijven vindt/ sal men de Ingesetenen eendrachtigh van haer in 't gemeyn hooren verklaren/ namelijck: dat in sommige deser groote Bergen de witte Wijven hebben gewoont: dat 'et omtrent dese Berghjes grouwelijck heeft gespoockt: dat men in den selven dickwijls een deerlijck gekrijt/ gekerm en weeklagen van mannen/ vrouwen en kinderen ghehoort heeft: datse by dagh en nacht dickwijls van barende en noodtlijdende vrouwen zijn gehaelt/ en souden die gheholpen hebben/ oock dan wanneer alles desperaat was: datse de superstitieuse menschen souden gewichelt/ haer geluck en ongeluck voor-geseyt hebben: datse gestoolen/ verlooren en vervreemde goederen wisten aan te wijsen waer die schuylden: dat die Landtsaten de selve met groote eerbiediheyt geeert hadden/ als wat Goddelijcks in haer erkennende; dat eenieg Ingesetenen/ by sommige gelegentheden/ in dese Berghjes geweest waren/ en hadden aldaer ongelooflijcke dingen gesien en ghehoort/ maer hadden/ op perijckel van haer leven/ niet een woort mogen spreken; datse snelder waren geweest als eenige creatuyren; dat zy altijd in 't wit waren gkleedt geweest/ en wierden daerom niet witte Wijven, maer simpliciter de Witten genaemt.
Beschrijving
De holle bergjes worden bewoond door witte wijven. Beschrijving van de gaven van witte wijven.
Bron
Johan Picardt. Korte Beschryvinge van eenige vergetene en verborgene Antiquiteten der provincien en landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Waer by gevoeght zijn Annales Drenthiae. Amsterdam: Van Goedesbergh, 1660. pp 46-47
Naam Overig in Tekst
Witten   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
