Hoofdtekst
In barbaarse tijden toen onrecht, moord en roof door geen enkele wet beperkt werd en de slachtoffers vruchteloos bij de rechter om hulp en wraak riepen, leefden er op het wijd uitgestrekte veld, nu bekend onder de naam Ellertsveld twee reusachtige rovers, Ellert en Brammert genaamd, in een onderaardse woning.
Wanneer men van het dorpje Zweeloo tot midden op het veld gaat waar de postweg links zich naar Schoonloo wendt, ligt er ten oosten tussen deze weg en de weg naar Borger een dal, dat de Moordkuil wordt genoemd.
Doodse zandheuvels waarop een enkele schrale den haar verdorde kruin heft, maken dit oord nog akeliger en verschrikkelijker. Het schijnt dat op deze plek, nog meer dan in de nabije omgeving, de vloek van onvruchtbaarheid rust. Hier zou de verblijfplaats van de twee rovende reuzen zijn geweest. Ellert had zijn zoon Brammert opgevoed volgens de beginselen waarmee ook hijzelf was opgegroeid. En de zoon wedijverde met zijn vader in boosheid en misdadigheid en het was moeilijk te beslissen wie van hen hierin boven de ander uitstak.
Hun spoor was getekend door bloed; roof en plundering waren hun doelwit en met een verschrikkelijke vermetelheid vielen zij niet alleen weerloze reizigers aan maar waagden zij zich zelfs in de dorpen en gehuchten en pleegden daar hun misdaden.
Menigmaal zag een hardwerkende boer zijn duur gekochte runderen, paarden en schapen door de rovers weggevoerd zonder dat hij het durfde wagen hun de buit afhandig te maken want hun onverschrokkenheid boezemde de dorpelingen alom schrik en vrees in.
De reuzen hadden daarbij een touw, dat tot in hun verblijf leidde, dwars over de weg gespannen. Aan het einde daarvan was een bel bevestigd en als die klingelde was dat voor de bandieten een teken dat reizigers of zwaar beladen wagens hun hol voorbij kwamen.
Zij haasten zich dan naar buiten en namen niet alleen geld en goed van de ongelukkige voorbijganger maar ook zijn leven. Zij ontzagen niets en niemand en men mocht het als een gunst beschouwen wanneer men tot op het naakte lijf uitgeschud en aan koude en regen blootgesteld, het leven er niet bij inschoot.
Op een ongelukkige dag, toen vader en zoon over de heide zwierven, bemerkten zij nabij Orvelterveen een mooi jong meisje, dat aan het werk was op de akker van haar ouders. Dadelijk kwam bij hen de gedachte op om deze onschuldige schoonheid te overrompelen en mee te nemen naar hun roversnest als een heerlijke prooi. Even snel als dit voornemen bij hen opkwam werd het uitgevoerd.
Zij vielen het weerloze wichtje aan, dat tevergeefs haar handen smekend naar de beulen ophief en door tranen hen tot medelijden probeerde te bewegen. Het hart van de woestelingen was onvermurwbaar. Met een grijnzend lachen sleepten zij de ongelukkige naar hun hol waar zij een verblijf kreeg toegewezen dat voor daglicht en frisse lucht ontoegankelijk was.
Zo bracht het arme schepsel zeven jaar als een rampzalige gevangene door in het moordhol. Zeven kinderen waren de vrucht van de afschuwelijke gemeenschap met de rovers maar niet een werd in leven gelaten. Dadelijk na de geboorte werden de kleinen door de booswichten vermoord en als aas voor raaf en gier in het veld geworpen.
Maar…..; Op een dag was Brammert door zijn vader belast uit te kijken naar buit terwijl hij zelf in het hol achterbleef. Hij beval zijn bijzit, toen Brammert was weggegaan, hem voor een groot vuur in haar schoot te koesteren. Weldra benevelde de slaap zijn oogleden en terwijl hij in zijn wilde dromen verschrikkelijk grijnslachte, greep de moedige vrouw een scherp geslpen bijl en sneed de slapende reus met dit moordstaal de strot af. Daarna vluchtte zij in paniek op zoek naar haar vaderlijke woning.
Op deze min of meer veilige plek was zij juist uitgeput aangekomen toen Brammert het lijk van zijn vader vond. Schreeuwend rende hij naar buiten achter het doodsbange vrouwmens aan. Bijna had hij haar nog ingehaald en gooide met volle kracht een strijdbijl achter haar aan. Gelukkig bleef deze met een enorme klap steken in de deurstijl.
Verder gaat de oude legende niet. Wel vertelt men dat de angstige inwoners van het gebied, bescherming zoekend voor de wraaklust van Brammert, hun woningen tot op de grond afbraken, hun akkers verwoesten en elders een rustiger woonplaats zochten.
Intussen gaat het verhaal, dat de bleke schimmen van Ellert en Brammert kan zien rondzwerven als men rond het middernachtelijk uur over de heide bij de moordkuil loopt. Hun doorzichtige handen schijnen met bloed besmeurd en met een akelig gegil lossen zij om één uur in het nachtelijk duister op. Het graf heeft hen een rustplaats geweigerd.
Onderwerp
SINSAG 0161 - Die Entstehung des "Stipelzeichens"   
ATU 0965* - Robbers’ Alarm Bell.   
Beschrijving
Als men 's nachts over de moorduil loopt, kan men de schimmen van Ellert en Brammert nog zien. Hun handen zijn met bloed besmeurd, en om 1 uur 's nachts verdwijnen zij weer.
Bron
Motief
K413 - Thieves stretch chain across road and evade pursuers.   
Commentaar
Zie onder 'Beeld' voor een afbeelding van kunstwerken in de route.
Naam Overig in Tekst
Ellert   
Brammert   
Orvelterveen   
Tineke Schoenmaker   
Tom Gilhespy   
Francois Geissmann   
Rumen Mihov Dimitrov   
Wenche Kvalstad Eckhoff   
Thierry Godet   
Liesje Smolders   
Tiiu Kirspuu   
Anna Mul   
Isabelle Bribosia   
Naam Locatie in Tekst
Schoonloo   
Ellertsveld   
Borger   
Moordkuil   
