Hoofdtekst
DE PRINSES VAN HET EILAND
Vroeger heeft er wel eens een kasteel in de duinen van Wester-Schelling gestaan. Ja, dat is lang geleden, eeuwen en eeuwen. Er is niets meer van over, geen steen in de grond. Alleen de plek waar het gestaan heeft weten we nog. Daar ligt nu het meertje, dat ze de ,,Dodemanskisten'' noemen.
Het was een groot kasteel, het had hoge muren en dikke, ronde torens. De oostertoren was de hoogste van de vier. Daar woei altijd de Schellinger vlag op: rood, blauw, geel, groen, wit, want rode lucht, blauwe wolken, gele helmen, groen gras, en wit zand, zo is de vlag van Schellingerland.
Het kasteel stond rondom in het water. Er staat nu nog wel eens water in de ,,plakken'' , maar dat was in die oude eeuwen veel erger dan nu. De duinen waren toen nog helemaal kaal, er stond geen boom op, en stuiven dat ze deden, stuiven! En in die plakken stond overal water, meestal een voet of twee, drie diep, maar op sommige plaatsen stond het wel eens zo hoog dat de langste kerel er nog kopje-onder ging.
In dat kasteel woonde de Schellinger prinses. Ze was mooi, maar ze had geen prettig leven, want ze stond helemaal alleen op de wereld. Broers of zusters had ze niet, en haar vader en moeder waren dood, die had ze reeds verloren, toen ze nog maar heel klein was. Ze waren op zee omgekomen. Dat was ook met vele andere familieleden het geval, of ze hadden schipbreuk geleden, of de zee had ze verzwolgen, met huis en hof erbij. En wat de zee nog in leven had gelaten, dat was gestorven in een strijd tegen vreemde mannen, die het eiland en de eilanders uitplunderen wilde.
Kwam er dan nooit eens een prins, die met die lieve, mooie prinses trouwens wou? O jawel, vaak genoeg. Meer dan eens stak er een van de vaste wal naar het eiland over. Die had van haar gehoord, of die had haar eens een keer gezien, als ze zelf aan de vaste wal was, en die kwam dan om haar te vragen zijn vrouw te willen worden. maar ze wou niet trouwens, zei ze. Ze bleef liever op het eiland, en dat wou zo'n prins dan niet. Altijd op zo'n stuk zand midden tussen de golven! Dus dan gingen ze maar weer, en de prinses bleef weer alleen. En het was toch zo'n best famke! Daar had je de Schellingers eens over moeten horen!
Er kon geen zieke in een van de kleine huisjes op het eiland zijn, of ze ging er heen. Ze riep geeneens ,,volk'', ze stapte zo maar naar binnen en recht op het bed af, waar de zieke in lag. Daar ging ze dan zitten en begon met zachte stem te praten. Meestal praatte ze zo zacht, dat de andere mensen in de kamer niet verstaan konden, wat er tussen die twee werd verhandeld. Maar 's avonds, als je geen hand voor ogen kon zien, dan ging de deur onhoorbaar op een kier open, en als je dan ging kijken, wie er was, zag je geen hand mens, maar om de hoek in de gang, daar stond eten, krek wat de zieke nodig had, en soms lagen er ook warme kleren, of een lekkere dikke deken.
Wie het gebracht had, ja, die had zijn naam er niet bij gezet, maar daarom wisten de mensen toch wel, wie er zo goed voor hen zorgde, zeker, zeker. En als er eens een ongeluk gebeurd was, wat was ze er dan gauw bij! En er gebeurden vaak ongelukken op Ter Schelling. Dat is op een eiland in de zee nu eenmaal zo. Maar dan kwam de prinses om de mensen te troosten en te helpen. Dat kon ze goed! Ze had zelf zoveel verdriet gehad, die prinses op dat eenzame kasteel! Ze begreep het verdriet wel, dat in die kleine huisjes geleden werd. En als er dan weer eens zo'n arme vrouw haar man op zee had verloren, dan zocht ze die op en troostte en sterkte ze haar; soms liet ze zo'n vrouw dan maar eens goed aan haar borst uithuilen, dat verlichtte. En de angstige en niet geheel begrijpende kinderen nam ze op haar schoot en speelde met hen en rustte niet, voor ook die weer wat bedaard waren. En bij woorden liet ze het niet! Ze zorgde ervoor, dat de zieken eten werd gebracht en zelf stopte ze ze wel onder de dekens. haar zachte, lieve stem werkte opzichzelf reeds als medicijn. Zo hielp ze overal de ongelukkigen om sterk te zijn en als echte Schellingers het lot, dat God hun had opgelegd, moedig te dragen.
- Denk maar eens aan je man, zei ze tegen zo'n vrouw, - wat die blij zal zijn, als hij weet, dat zijn vrouw zo flink is, nu ze alleen voor haar kinderen moet zorgen.
Neen, de prinses liet het bij woorden niet. Ze was een best mens, ook voor de zeelui. Als die hun schip hadden verloren en nakend op het eiland terecht kwamen, dan werden ze niet als een troep bedelaars van den een naar den ander gestuurd, maar ze werden dadelijk in het grote kasteel ondergebracht en daar kregen ze dan te eten en te drinken, zoveel als ze maar lustten. En kleren kregen ze en alles wat ze maar verder nodig hadden, en zoveel geld dat ze weer naar huis konden komen. - Zoiets komt een zeeman toe, zei de prinses.
Nu gebeurde het eens in een stikdonkere nacht, dat door een zware storm een schip op de Schellinger gronden vastliep. Het zat zo vast als een muur en woelde zich steeds dieper in het zand. De zee sloeg er met groot geweld overheen. Toen het begon te dagen, staken alleen nog maar de masten boven de kokende sop uit. Geen mens leefde meer, allen waren verdronken. Op het strand spoelden meer dan honderd lijken aan. De strand jutters sleepten ze wat hoger op, naar de duinrand toe.
Spoedig kwam ook de prinses over de duinen aan, door weer en wind. Ze was wel tenger, maar nooit liet ze zich door het boze weer weerhouden, als ze dacht dat ze helpen kon. Hier kon echter geen hulp meer baten. De strandjutters maakten ruimte voor haar en tikten aan hun petten. Een voor een bekeek ze de schipbreukelingen, gebukt ging ze de hele lange rij langs. En toen ze de laatste bekeken had en zich weer oprichtte, stonden de tranen in haar ogen.
- Weer niet, zei ze zacht. Ze keek niemand aan, haar blik dwaalde naar de verte. Neen, van haar eigen familie bracht de zee er nooit een terug, hoezeer ze daar ook naar verlangde. Ook later gebeurde dat niet. De jutters stonden eerbiedig te wachten. Lang behoefde dit niet te duren. Lang dacht de prinses niet aan haar eigen leed.
- Ik zal ervoor zorgen, dat deze mannen tenminste een eerlijke begrafenis krijgen, zei ze. En zicht tot een der mannen wendend, vroeg ze:
- Kunne, hoeveel heb jij er geteld?
- Honderdentwintig, prinses, antwoordde Kunne.
- Is er nog plaats genoeg op het kerkhof?
Kunne dacht na. - Nee prinses, zei hij uiteindelijk, - de prinses weet wel, achter op het kerkhof, dat is voor drenkelingen uit de zee, maar daar liggen er al zoveel, daar kunnen er geen honderd meer bij.
- Breng ze dan naar het kasteel, zei de prinses.
Dat gebeurde.
Toen liet de prinses diepe geulen graven, waar het water rondom het kasteel door weglopen kon. En toen liet ze voor al die arme zeelui kisten maken, en werden ze allemaal begraven op de plek, die drooggelopen was. Daarna werden de geulen weer dichtgemaakt en enkele dagen later lag het nieuwe kerkhof onder water. Dit werd voortaan door de prinses ,,Dodemanskisten'' genoemd. En zo noemt men het nu nog. Maar men spreekt ook wel van ,,Armemanskisten''.
Het kasteel is al eeuwen verdwenen. De wind doet het water daar op stille avonden zacht rimpelen en de koekoek roept in de bosjes rondom. En de prinses? Ze zeggen, dat die niet sterven kan, zolang er Schellingers op het eiland wonen. Ze leeft er nog steeds, al ziet niemand haar ooit. Neen, niemand ziet haar ooit meer, maar als de ziekte en de dood op Ter Schelling rondgaan, komst ze door regen en wind aangestapt, om het Schellinger volk te helpen en op te beuren. En wie in die huizen van nood en rouw binnengaat, die zal haar aanwezigheid bemerken, ook al ziet hij haar in levenden lijve niet voor zicht staan.
Laat God bidden, dat ze Schellingerland nooit moge verlaten.
Vroeger heeft er wel eens een kasteel in de duinen van Wester-Schelling gestaan. Ja, dat is lang geleden, eeuwen en eeuwen. Er is niets meer van over, geen steen in de grond. Alleen de plek waar het gestaan heeft weten we nog. Daar ligt nu het meertje, dat ze de ,,Dodemanskisten'' noemen.
Het was een groot kasteel, het had hoge muren en dikke, ronde torens. De oostertoren was de hoogste van de vier. Daar woei altijd de Schellinger vlag op: rood, blauw, geel, groen, wit, want rode lucht, blauwe wolken, gele helmen, groen gras, en wit zand, zo is de vlag van Schellingerland.
Het kasteel stond rondom in het water. Er staat nu nog wel eens water in de ,,plakken'' , maar dat was in die oude eeuwen veel erger dan nu. De duinen waren toen nog helemaal kaal, er stond geen boom op, en stuiven dat ze deden, stuiven! En in die plakken stond overal water, meestal een voet of twee, drie diep, maar op sommige plaatsen stond het wel eens zo hoog dat de langste kerel er nog kopje-onder ging.
In dat kasteel woonde de Schellinger prinses. Ze was mooi, maar ze had geen prettig leven, want ze stond helemaal alleen op de wereld. Broers of zusters had ze niet, en haar vader en moeder waren dood, die had ze reeds verloren, toen ze nog maar heel klein was. Ze waren op zee omgekomen. Dat was ook met vele andere familieleden het geval, of ze hadden schipbreuk geleden, of de zee had ze verzwolgen, met huis en hof erbij. En wat de zee nog in leven had gelaten, dat was gestorven in een strijd tegen vreemde mannen, die het eiland en de eilanders uitplunderen wilde.
Kwam er dan nooit eens een prins, die met die lieve, mooie prinses trouwens wou? O jawel, vaak genoeg. Meer dan eens stak er een van de vaste wal naar het eiland over. Die had van haar gehoord, of die had haar eens een keer gezien, als ze zelf aan de vaste wal was, en die kwam dan om haar te vragen zijn vrouw te willen worden. maar ze wou niet trouwens, zei ze. Ze bleef liever op het eiland, en dat wou zo'n prins dan niet. Altijd op zo'n stuk zand midden tussen de golven! Dus dan gingen ze maar weer, en de prinses bleef weer alleen. En het was toch zo'n best famke! Daar had je de Schellingers eens over moeten horen!
Er kon geen zieke in een van de kleine huisjes op het eiland zijn, of ze ging er heen. Ze riep geeneens ,,volk'', ze stapte zo maar naar binnen en recht op het bed af, waar de zieke in lag. Daar ging ze dan zitten en begon met zachte stem te praten. Meestal praatte ze zo zacht, dat de andere mensen in de kamer niet verstaan konden, wat er tussen die twee werd verhandeld. Maar 's avonds, als je geen hand voor ogen kon zien, dan ging de deur onhoorbaar op een kier open, en als je dan ging kijken, wie er was, zag je geen hand mens, maar om de hoek in de gang, daar stond eten, krek wat de zieke nodig had, en soms lagen er ook warme kleren, of een lekkere dikke deken.
Wie het gebracht had, ja, die had zijn naam er niet bij gezet, maar daarom wisten de mensen toch wel, wie er zo goed voor hen zorgde, zeker, zeker. En als er eens een ongeluk gebeurd was, wat was ze er dan gauw bij! En er gebeurden vaak ongelukken op Ter Schelling. Dat is op een eiland in de zee nu eenmaal zo. Maar dan kwam de prinses om de mensen te troosten en te helpen. Dat kon ze goed! Ze had zelf zoveel verdriet gehad, die prinses op dat eenzame kasteel! Ze begreep het verdriet wel, dat in die kleine huisjes geleden werd. En als er dan weer eens zo'n arme vrouw haar man op zee had verloren, dan zocht ze die op en troostte en sterkte ze haar; soms liet ze zo'n vrouw dan maar eens goed aan haar borst uithuilen, dat verlichtte. En de angstige en niet geheel begrijpende kinderen nam ze op haar schoot en speelde met hen en rustte niet, voor ook die weer wat bedaard waren. En bij woorden liet ze het niet! Ze zorgde ervoor, dat de zieken eten werd gebracht en zelf stopte ze ze wel onder de dekens. haar zachte, lieve stem werkte opzichzelf reeds als medicijn. Zo hielp ze overal de ongelukkigen om sterk te zijn en als echte Schellingers het lot, dat God hun had opgelegd, moedig te dragen.
- Denk maar eens aan je man, zei ze tegen zo'n vrouw, - wat die blij zal zijn, als hij weet, dat zijn vrouw zo flink is, nu ze alleen voor haar kinderen moet zorgen.
Neen, de prinses liet het bij woorden niet. Ze was een best mens, ook voor de zeelui. Als die hun schip hadden verloren en nakend op het eiland terecht kwamen, dan werden ze niet als een troep bedelaars van den een naar den ander gestuurd, maar ze werden dadelijk in het grote kasteel ondergebracht en daar kregen ze dan te eten en te drinken, zoveel als ze maar lustten. En kleren kregen ze en alles wat ze maar verder nodig hadden, en zoveel geld dat ze weer naar huis konden komen. - Zoiets komt een zeeman toe, zei de prinses.
Nu gebeurde het eens in een stikdonkere nacht, dat door een zware storm een schip op de Schellinger gronden vastliep. Het zat zo vast als een muur en woelde zich steeds dieper in het zand. De zee sloeg er met groot geweld overheen. Toen het begon te dagen, staken alleen nog maar de masten boven de kokende sop uit. Geen mens leefde meer, allen waren verdronken. Op het strand spoelden meer dan honderd lijken aan. De strand jutters sleepten ze wat hoger op, naar de duinrand toe.
Spoedig kwam ook de prinses over de duinen aan, door weer en wind. Ze was wel tenger, maar nooit liet ze zich door het boze weer weerhouden, als ze dacht dat ze helpen kon. Hier kon echter geen hulp meer baten. De strandjutters maakten ruimte voor haar en tikten aan hun petten. Een voor een bekeek ze de schipbreukelingen, gebukt ging ze de hele lange rij langs. En toen ze de laatste bekeken had en zich weer oprichtte, stonden de tranen in haar ogen.
- Weer niet, zei ze zacht. Ze keek niemand aan, haar blik dwaalde naar de verte. Neen, van haar eigen familie bracht de zee er nooit een terug, hoezeer ze daar ook naar verlangde. Ook later gebeurde dat niet. De jutters stonden eerbiedig te wachten. Lang behoefde dit niet te duren. Lang dacht de prinses niet aan haar eigen leed.
- Ik zal ervoor zorgen, dat deze mannen tenminste een eerlijke begrafenis krijgen, zei ze. En zicht tot een der mannen wendend, vroeg ze:
- Kunne, hoeveel heb jij er geteld?
- Honderdentwintig, prinses, antwoordde Kunne.
- Is er nog plaats genoeg op het kerkhof?
Kunne dacht na. - Nee prinses, zei hij uiteindelijk, - de prinses weet wel, achter op het kerkhof, dat is voor drenkelingen uit de zee, maar daar liggen er al zoveel, daar kunnen er geen honderd meer bij.
- Breng ze dan naar het kasteel, zei de prinses.
Dat gebeurde.
Toen liet de prinses diepe geulen graven, waar het water rondom het kasteel door weglopen kon. En toen liet ze voor al die arme zeelui kisten maken, en werden ze allemaal begraven op de plek, die drooggelopen was. Daarna werden de geulen weer dichtgemaakt en enkele dagen later lag het nieuwe kerkhof onder water. Dit werd voortaan door de prinses ,,Dodemanskisten'' genoemd. En zo noemt men het nu nog. Maar men spreekt ook wel van ,,Armemanskisten''.
Het kasteel is al eeuwen verdwenen. De wind doet het water daar op stille avonden zacht rimpelen en de koekoek roept in de bosjes rondom. En de prinses? Ze zeggen, dat die niet sterven kan, zolang er Schellingers op het eiland wonen. Ze leeft er nog steeds, al ziet niemand haar ooit. Neen, niemand ziet haar ooit meer, maar als de ziekte en de dood op Ter Schelling rondgaan, komst ze door regen en wind aangestapt, om het Schellinger volk te helpen en op te beuren. En wie in die huizen van nood en rouw binnengaat, die zal haar aanwezigheid bemerken, ook al ziet hij haar in levenden lijve niet voor zicht staan.
Laat God bidden, dat ze Schellingerland nooit moge verlaten.
Beschrijving
Er leefde eens een prinses eenzaam in een kasteel in de duinen van Wester-Schelling. Zij had geen familie meer, deze waren op zee omgekomen. Haar andere familieleden waren in een oorlog met plunderaars omgekomen. Trouwen met een prins deed ze niet, want dan zou ze het eiland moeten verlaten en dat wilde ze niet, want ze kon de mensen op het eiland niet achterlaten. Telkens als er iemand ziek was, zorgde ze voor de mensen door voedsel en kleding achter te laten. Ook als een man door een ongeluk om het leven was gekomen, zorgde ze voor de weduwe en haar kinderen. Zo gebeurde het dat er een schip verging en de lijken op het eiland aanspoelde. Het waren er zoveel dat de lijken onmogelijk op het kerkhof begraven konden worden. Daarom liet de prinses geulen graven zodat het water rond het kasteel weglopen kon. Daar werden de schipbreukelingen in "Dodemanskisten" begraven en de geulen weer dichtgemaakt, zodat het nieuwe kerkhof onder water kwam te staan. Deze Dodemanskisten werden door de inwoners ook wel "Armemanskisten" genoemd. De barmhartigheid van de prinses kende geen grenzen en het gerucht gaat dat zolang er mensen op Terschelling zijn, de prinses voort zal leven, ook al is het kasteel allang verdwenen.
Bron
Nederlandse sagen/ Cor Bruijn. - Amsterdam: Ploegsma, 1946. p 14-18.
Commentaar
1946
Naam Overig in Tekst
Wester-Schelling   
Dodemanskisten   
Schellinger   
Ter Schelling   
Kunne   
Amemanskisten   
God   
Schellingerland   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
