Hoofdtekst
DE BASILISK
Heb je wel een van den basilisk gehoord? Dat is een ondier. Een basilisk staat in dienst van den duivel. In Dokkum heeft zo'n monster eens achttien mensen gedood door het vuur uit zijn oogen. En in Oldenboorn is dat ook gebeurd, daar stierven er ook achttien. Hoe het precies is gegaan, vertelt men niet, maar het moet wreed geweest zijn. Wel zegt men, dat hij in Oldeboorn zat in een diepe put en dat kan best zo geweest zijn, want dat ondier zoekt altijd donkere plaatsen op. Er is wel reden voor, dat hij zo lichtschuw is. Een basilisk is net een reuzehagedis. Hij heeft een kap van stekels op zijn rug en een staart vol schubben, die bij elke beweging ratelen. Maar het ergste is zijn kop. Dat is een monsterkop, met een grote, rode bek en venijnige, uitstekende tanden, en zijn neusgaten zijn net holen, waar hij wolken stinkende adem uitspuwt. Het vreselijkst zijn in die kop nog de ogen. Dat zijn rode ballen, waar een gloeiend vuur uitstraalt; het is net, of er vlammen uitslaan. Kijk je daarin, dan dringt die vlam in je door en dringt naar je hart en slaat er omheen en vreet dat hart op, en dan wordt je verder van binnenuit verteerd, tot je niets dan een hoopje as bent.
Zo'n basilisk was er ook eens in Utrecht. Dat was het grootste monster, dat ooit op aarde is geweest. Die was uit een hanenei geboren en door een schilpad uitgebroed. Hij moet nogwel tien keer zo groot en venijnig als die Friese basilisk geweest zijn. Toen hij geboren was, kroop hij dadelijk in een diepe, donkere kelder onder een bierbrouwerij. Daar was hij veilig! Daar zou hij wel nooit zijn eigen ogen te zien krijgen, want daar was hij doodsbenauwd voor. Als hij in zijn eigen groenroodgele vuurogen keek, dan zou de vlam namelijk om zijn eigen hart slaan en dan was het met hem gedaan, dan zou hij zelf van binnenuit tot as verteerd worden. Dus hij kroop in de donkere kelder, veilig en wel. En daar wachtte hij op zijn slachtoffers.
Een werkman kwam....en keerde nooit terug.
Een werkbaas ging eens in de kelder kijken....nooit keerde hij weer.
Wie de kelder inging, verloor zijn leven. Het waren er velen, velen, voor men ontdekte, dat er een basilisk in de kelder zat. Toen sloot men zorgvuldig de deur toe. De basilisk bleef erin. Menigeen rilde, als hij daar in de nabijheid kwam. Ratelden daar niet de schubben? Drong daar geen straal van dat helse vuur door die reet? Weg, gauw weg! Red je leven!
Doch er kwamen ook helden. Zo nu en dan daalde er een in de kelder af, goed gewapend, om den basilisk te doden. Het kwam echter niet eens tot strijd: er ging nauwelijks een pijl op een boog, er ging nauwelijks een zwaard in de hoogte. Het vuur uit de ogen trof eerder dan pijl of zwaard, een vlam sloeg om een moedig hart heen en een dapper man zonk neer. Weldra lag een hoopje as op de plaats, waar hij had gestaan. Geen moed hielp tegen den basilisk, geen stalen harnas, geen vechtkunst. Allen stierven.
De jaren gingen voorbij, meer dan een eeuw ging voorbij. Het aantal slachtoffers van den basilisk groeide en groeide.
Toen bood zich op zekere dag een jongeling aan, die nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid was. Hij was lang en slank, blond haar golfde om zijn slapen. Hij was een zuivere knaap, alle kwaad was hem vreemd. Reinheid en onschuld straalden uit zijn blauwe ogen.
- Wil jij den basilisk doden? ging de verwonderde vraag.
- Dat wil ik, zei hij rustig, met een glimlach.
Neen, neen, dat wilde men niet! De basilisk vroeg reeds offers genoeg. Men wilde het offer niet van dit mooie, jonge leven!
- Neen, neen, je komt de kelder niet in! Je hebt bovendien niet eens een wapen!
Hij wees toen op het houten bord, dat voor zijn borst hing en lachte zijn zachte lach, goed en bescheiden.
- Bind mij deze blinddoek maar even voor de ogen verzocht hij.
Men weigerde.
Toen bond hij zich de doek zelf voor het gezicht.
Men riep, men waarschuwde. Men wilde hem tegenhouden. Maar hij antwoordde niet meer en liep met zo'n innerlijke zekerheid naar de kelder dat men terugweek.
Hij opende de deur en daalde de trap af. Zijn voeten gingen zoekend naar de treden, maar er was geen angst of aarzeling in zijn hart. Hij bereikte de vloer van de kelder.
Daar hoorde hij het geratel der schubben. Dat was de basilisk, die toeschoot. Een stinkende walm sloeg hem langs het gezicht. Dat was de adem die de basilisk in woede uitstiet.
Hij stoorde zich daar echter niet aan. Onder de doek kneep hij nog stijf zijn ogen dicht. Toen deed hij nog enkele schreden in de richting, waar hij nu wist, dat de basilisk zich bevond.
Het ondier hief snuivend de kop op, een hels vuur brandde uit zijn ogen naar den indringer toe.... Toen begon er een onweer in zijn keel te grauwen. Trof zijn vuur geen doel?....
Nog een paar schreden deed nu de jongeling. Toen vatten zijn handen het bord voor zijn borst en keerde het om. De basilisk keek in een spiegel!
Met een hevige grauw sprong het terug.
Reeds weerkaatste het spiegelglas het vuur uit zijn ogen, en drong het in diezelfde ogen terug. De dodelijkste vlam sloeg om zijn eigen hart heen.
Hij deed, woest brullend, nog een wanhopige sprong. toen zonk hij neer, zijn staart sloeg ratelend. De vlam vrat in zijn lijf en verteerde hem. Een hoopje as bleef liggen aan de voeten van zijn jongen bestrijder.
Utrecht herademde, Utrecht herleefde weer.
De basilisk was een monster van den duivel. Onschuld en reinheid overwonnen hem. God zij geloofd en geprezen.
Heb je wel een van den basilisk gehoord? Dat is een ondier. Een basilisk staat in dienst van den duivel. In Dokkum heeft zo'n monster eens achttien mensen gedood door het vuur uit zijn oogen. En in Oldenboorn is dat ook gebeurd, daar stierven er ook achttien. Hoe het precies is gegaan, vertelt men niet, maar het moet wreed geweest zijn. Wel zegt men, dat hij in Oldeboorn zat in een diepe put en dat kan best zo geweest zijn, want dat ondier zoekt altijd donkere plaatsen op. Er is wel reden voor, dat hij zo lichtschuw is. Een basilisk is net een reuzehagedis. Hij heeft een kap van stekels op zijn rug en een staart vol schubben, die bij elke beweging ratelen. Maar het ergste is zijn kop. Dat is een monsterkop, met een grote, rode bek en venijnige, uitstekende tanden, en zijn neusgaten zijn net holen, waar hij wolken stinkende adem uitspuwt. Het vreselijkst zijn in die kop nog de ogen. Dat zijn rode ballen, waar een gloeiend vuur uitstraalt; het is net, of er vlammen uitslaan. Kijk je daarin, dan dringt die vlam in je door en dringt naar je hart en slaat er omheen en vreet dat hart op, en dan wordt je verder van binnenuit verteerd, tot je niets dan een hoopje as bent.
Zo'n basilisk was er ook eens in Utrecht. Dat was het grootste monster, dat ooit op aarde is geweest. Die was uit een hanenei geboren en door een schilpad uitgebroed. Hij moet nogwel tien keer zo groot en venijnig als die Friese basilisk geweest zijn. Toen hij geboren was, kroop hij dadelijk in een diepe, donkere kelder onder een bierbrouwerij. Daar was hij veilig! Daar zou hij wel nooit zijn eigen ogen te zien krijgen, want daar was hij doodsbenauwd voor. Als hij in zijn eigen groenroodgele vuurogen keek, dan zou de vlam namelijk om zijn eigen hart slaan en dan was het met hem gedaan, dan zou hij zelf van binnenuit tot as verteerd worden. Dus hij kroop in de donkere kelder, veilig en wel. En daar wachtte hij op zijn slachtoffers.
Een werkman kwam....en keerde nooit terug.
Een werkbaas ging eens in de kelder kijken....nooit keerde hij weer.
Wie de kelder inging, verloor zijn leven. Het waren er velen, velen, voor men ontdekte, dat er een basilisk in de kelder zat. Toen sloot men zorgvuldig de deur toe. De basilisk bleef erin. Menigeen rilde, als hij daar in de nabijheid kwam. Ratelden daar niet de schubben? Drong daar geen straal van dat helse vuur door die reet? Weg, gauw weg! Red je leven!
Doch er kwamen ook helden. Zo nu en dan daalde er een in de kelder af, goed gewapend, om den basilisk te doden. Het kwam echter niet eens tot strijd: er ging nauwelijks een pijl op een boog, er ging nauwelijks een zwaard in de hoogte. Het vuur uit de ogen trof eerder dan pijl of zwaard, een vlam sloeg om een moedig hart heen en een dapper man zonk neer. Weldra lag een hoopje as op de plaats, waar hij had gestaan. Geen moed hielp tegen den basilisk, geen stalen harnas, geen vechtkunst. Allen stierven.
De jaren gingen voorbij, meer dan een eeuw ging voorbij. Het aantal slachtoffers van den basilisk groeide en groeide.
Toen bood zich op zekere dag een jongeling aan, die nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid was. Hij was lang en slank, blond haar golfde om zijn slapen. Hij was een zuivere knaap, alle kwaad was hem vreemd. Reinheid en onschuld straalden uit zijn blauwe ogen.
- Wil jij den basilisk doden? ging de verwonderde vraag.
- Dat wil ik, zei hij rustig, met een glimlach.
Neen, neen, dat wilde men niet! De basilisk vroeg reeds offers genoeg. Men wilde het offer niet van dit mooie, jonge leven!
- Neen, neen, je komt de kelder niet in! Je hebt bovendien niet eens een wapen!
Hij wees toen op het houten bord, dat voor zijn borst hing en lachte zijn zachte lach, goed en bescheiden.
- Bind mij deze blinddoek maar even voor de ogen verzocht hij.
Men weigerde.
Toen bond hij zich de doek zelf voor het gezicht.
Men riep, men waarschuwde. Men wilde hem tegenhouden. Maar hij antwoordde niet meer en liep met zo'n innerlijke zekerheid naar de kelder dat men terugweek.
Hij opende de deur en daalde de trap af. Zijn voeten gingen zoekend naar de treden, maar er was geen angst of aarzeling in zijn hart. Hij bereikte de vloer van de kelder.
Daar hoorde hij het geratel der schubben. Dat was de basilisk, die toeschoot. Een stinkende walm sloeg hem langs het gezicht. Dat was de adem die de basilisk in woede uitstiet.
Hij stoorde zich daar echter niet aan. Onder de doek kneep hij nog stijf zijn ogen dicht. Toen deed hij nog enkele schreden in de richting, waar hij nu wist, dat de basilisk zich bevond.
Het ondier hief snuivend de kop op, een hels vuur brandde uit zijn ogen naar den indringer toe.... Toen begon er een onweer in zijn keel te grauwen. Trof zijn vuur geen doel?....
Nog een paar schreden deed nu de jongeling. Toen vatten zijn handen het bord voor zijn borst en keerde het om. De basilisk keek in een spiegel!
Met een hevige grauw sprong het terug.
Reeds weerkaatste het spiegelglas het vuur uit zijn ogen, en drong het in diezelfde ogen terug. De dodelijkste vlam sloeg om zijn eigen hart heen.
Hij deed, woest brullend, nog een wanhopige sprong. toen zonk hij neer, zijn staart sloeg ratelend. De vlam vrat in zijn lijf en verteerde hem. Een hoopje as bleef liggen aan de voeten van zijn jongen bestrijder.
Utrecht herademde, Utrecht herleefde weer.
De basilisk was een monster van den duivel. Onschuld en reinheid overwonnen hem. God zij geloofd en geprezen.
Onderwerp
SINSAG 1341 - Basilisk tötet Menschen durch seinen Blick (stirbt beim Sehen des eigenen Bildes im Spiegel).   
Beschrijving
In Utrecht werd een basilisk geboren die zich schuil hield in de kelder van een bierbrouwerij. De basilisk werd uit een hanenei geboren en uitgebroed door een schilpad. De basilisk staat in dienst van de duivel en zoekt meteen na het uitkomen een donkere plek op. In de donkere kelder eistte het dan ook vele levens, want als men in de ogen van de basilisk keek dan werd je van binnenuit verteerd. Uiteindelijk ontdekte men dat er een basilisk in de kelder zit en het werd zo goed als mogelijk afgesloten, maar nog is het niet genoeg. Helden probeerden het ondier te doden maar zelfs de sterkste, moedigste helden stierven voor een zwaard geheven was of een pijl geschoten was. Tot er een jongeman, geblinddoekt en met een spiegel, de kelder in ging. De basilisk zag zijn eigen spiegelbeeld en stierf. Zo werd Utrecht van de basilisk ontdaan.
Bron
Nederlandse sagen/ Cor Bruijn. - Amsterdam: Ploegsma, 1946. p 68-72
Commentaar
1946
Basilisk tötet Menschen durch seinen Blick (stirbt beim Sehen des eigenen Bildes im Spiegel).
Naam Overig in Tekst
God   
Friese   
Fries   
Naam Locatie in Tekst
Utrecht   
Dokkum   
Oldeboorn   
Friesland   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
