Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

IGRON059 - Appelvangproef bij t Slochterdiep

Een sage (vragenlijst), maandag 18 juni 2007

Hoofdtekst

Appelvangproef bij t Slochterdiep
Dit verhaal heeft zich in de tweede helft van de negentiende eeuw zeer waarschijnlijk werkelijk, op de afloop na, afgespeeld op een boerderij bij het Slochterdiep ter hoogte van Denemarken. Hieronder volgt mijn vertelling.
Het was eind november en het begon al te schemeren. Donkere, dreigende wolken scheurden laag door het luchtruim, de takken van de bomen zwiepten wild heen en weer en het hemelwater viel met bakken vol uit de lucht. Geen weer om je buiten te wagen. Toch naderde er vanaf de kant van Stad langs het jagerspad van het Slochterdiep een ruiter te paard. Hij reed het erf op van boerderij Janssen vlakbij het Slochterdiep, ter hoogte van Denemarken, iets voor het dorp Slochteren. De ruiter hield halt bij een boom, bond zijn paard vast en klopte aan bij de zijdeur in de eerste krimp van het voorhuis. De boer deed open. De ruiter vroeg om onderdak want hij durfde niet verder te reizen. Hij was een eindje terug overvallen door een stelletje rovers. Hij had ternauwernood kunnen ontsnappen dankzij zijn paard dat een van de boeven een beste pets had verkocht toen die aan zijn tas had gerukt.
De boer was een vriendelijke man en hij nam de ruiter mee naar binnen, de keuken in. De boerin gaf hem wat te eten en te drinken en hij kwam weer op het verhaal.
's Avonds zaten ze met elkaar om het haardvuur: de boer en de boerin, de zoon, de dochter, de meid en de knecht en de ruiter natuurlijk. Ze praten wat met elkaar en op de duur werd het “glad” gezellig. De ruiter had al veel van de wereld gezien en ook al heel wat avonturen beleefd. De tijd vloog voorbij.
Opeens, midden in een verhaal, ging de boerin rechtop zitten en draaide het hoofd iets schuin. “Stil eens”, zei ze, “ik hoor iets, er roept iemand, ik hoor een stem”. “Nee,” antwoordde haar man, “dat kan niet, wie is er nu met dit hondenweer buiten, het is de grote baanderdeur die je hoort rammelen door de wind”. De ruiter vertelde verder, maar opnieuw onderbrak de boerin met: “Ik hoor echt iemand roepen, ga er op af, Jan”. De boer stond op en liep door de zijgang naar de deur, schoof de ijzeren grendels en opende langzaam de zware deur. Inderdaad, er stond iemand op het straatje. Een grote magere vrouw met een tas aan de arm. Kletsnat, het water drupte uit haar jas op de grond. De vrouw vertelde dat ze onderweg naar Stad was om de volgende dag op tijd bij de opening van de markt om zes uur te wezen. Ze was weduwe en ze moest de kost verdienen voor zeven kinderen. Maar het regende zo hard en nu was ze zo nat en koud. Had de boer niet een slaapplaats voor haar? Ze was al tevreden met een plek in het hooi. De boer was een vriendelijke man en nam haar mee naar binnen, de keuken in bij het haardvuur. De kring werd wat groter gemaakt en de boerin gaf de vrouw een beker warme melk. Het gesprek hernam zijn loop maar de sfeer was anders. De ruiter was minder spraakzaam en hij keek steeds naar de vrouw. “Kom”, zei de boer, “het wordt bedtijd, ik ga maar eens naar de koeien kijken”. En hij verdween naar de stal. De ruiter zei: ”Ik moet even naar buiten” en hij achter de boer aan. In de stal gekomen vroeg de ruiter aan de boer of hij ook iets vreemds aan de vrouw gezien had. “Nee, er is me niets opgevallen”. “Ook niets aan die polsen, die handen, die grote grove vingers met die kattennagels, en dan dat hoekige gezicht? t Is geen vrouw, het is een vent en het is een van die rovers”. “Jaa, dat kan wel wezen”, zei de boer, “maar hoe komen we daar achter?” “Nou,daar weet ik wel iets op. Heeft u ook appels?” ”Ja zeker, appels zat”. “Neemt u dan een mandje appels mee naar binnen en dan gooit u iedereen een appel toe en dan moet u goed opletten hoe ze die appel opvangen”. “O, de appelvangproef?” antwoordde de boer.
En zo gebeurde het, de boer ging met een mandje Woudbloemer Reinetten naar binnen, de ruiter volgde. “Zo”, zei de boer, “ik heb wat appels meegenomen, lekkere frisse”. De boerin trok haar wenkbrauwen op en keek eerst haar dochter aan en toen vragend naar haar man. Vreemd, want anders aten ze nooit een appel ‘s avonds, en dan ook nog die Woudbloemer Reinetten, van die dikke. De boer keek de kring rond en riep: “Vang” en gooide ieder in de kring een appel toe. Eerst zijn vrouw, zij ving de appel op in haar rokkeschoot, met de knieën uiteen. Toen de dochter en het dienstmeisje, ook zij vingen de appel op in hun schoot, met de knieën uiteen. Daarna waren de zoon, de knecht en de ruiter aan de beurt. Zij vingen de appel op met de knieën tegen elkaar aan. Als laatste de vrouw en wat gebeurt er? Ze vangt de appel in haar schort met de knieën naar elkaar toe. Gesnapt!!
Iedereen eet de appel met smaak maar de boer heeft er moeite mee. Hij raakt de stukjes appel haast niet kwijt, heeft moeite met slikken, net alsof zijn keel dicht zit. Het valt zijn dochter op dat hij wel erg zit te “knoeven” en ze vraagt of de appel hem wel smaakt.
Als alleen de klokhuizen over zijn, verzamelt de boer ze in de mand en gaat naar de stal, de ruiter er weer achteraan. “Nou”, zegt de ruiter, “het is wel duidelijk he, ik heb gelijk, het is een manspersoon”. “Ja, geen twijfel mogelijk maar hoe moeten we nu verder?” “Daar weet ik wel raad op”, zegt de ruiter en hij vouwt zijn plan uiteen. Ze gaan opnieuw de keuken binnen. “Kom op mensen, beddegaanstijd,” zegt de boer en hij wijst de vreemde “vrouw” haar slaapplaats aan, op de hooizolder in de schuur. De ruiter krijgt eveneens een slaapplaats op de andere hooizolder toegewezen, recht tegenover de “vrouw”. Maar hij slaapt daar niet, het lijkt wel zo want hij maakt een soort pop van wat hooi en een deken. In werkelijkheid gaat hij achter in de schuur zitten, verscholen achter de rug van zijn paard. En zo houdt hij de boel in het vizier.
Langzaam wordt het middernacht en dan opeens ziet de ruiter de manvrouwspersoon met iets glimmerigs in de hand het laddertje van de hooizolder afdalen, de deel oversteken, het andere laddertje op, naar zijn slaapplaats en dan een dof geluid, drie keer, gevolgd door “Ziezo”.
Maar dan grijpt de ruiter supersnel zijn kans en trekt het laddertje met de dalende rover omver. Gelukkig, de boef is overmeesterd. Intussen zijn de andere bewoners op het lawaai afgekomen. Ze zien de vastgebonden “vrouw” en daarnaast een groot, vlijmscherp mes op de grond. De dochter van de boer overziet het geheel en vraagt: “Waar is die tas van die boef gebleven, wat zit er eigenlijk in?” Nou, wat daar in zit, zal ik u maar besparen, want daarvan lopen de gruwels en de grauwels je over de rug. Maar er zit ook een eenvoudig fluitje in en dat zet de mensen aan het denken. Waarvoor is dat fluitje? De ruiter vermoedt gevaar en hij bedenkt een oplossing. Ze vormen een halve kring bij de achterbaanderdeur en iedereen krijgt een attribuut in de hand geduwd: een bezem of grote boender, een vork of vlegel, een melkemmer, desnoods een teems. “Iedereen klaar?” “Ja.” Dan blaast de ruiter op het fluitje. Wat er dan precies gebeurt is niet na te vertellen. Opeens verschijnen rovers uit het niets, ze rukken en trekken met veel geweld de baanderdeuren open, naar binnen: roven en pludderen. Maar zover komt het niet. Met boenders, bezems, vorken en vlegels worden ze neergesabeld en degene die het hoofd nog opricht, krijgt een mep met de teems. En zo loopt het met de bewoners van de boerderij nog goed af.
Met de vijf boeven is het minder goed gegaan. Wat en hoe het precies gebeurd is, is onduidelijk, maar ter hoogte van de boerderij, die inmiddels allang verdwenen is, borrelen vanaf die dag vijf draaikolkjes in het Slochterdiep. Als u goed kijkt ontdekt u ze zo.

Riet van Eerden
Overschild, juni 2007

Onderwerp

VDK 0958G* - De appelvangproef    VDK 0958G* - De appelvangproef   

ATU 0958F* - Test of Sex: Catching an Apple.    ATU 0958F* - Test of Sex: Catching an Apple.   

sinVDK 0958G* - Die Fangprobe    sinVDK 0958G* - Die Fangprobe   

Beschrijving

Ruiter vraagt bij boerderij om onderdak en vertelt overvallen te zijn door rovers. De vrouw die later op de avond om onderdak vraagt, wordt door de ruiter herkent als één van de rovers. Om te zien of de vrouw geen man is, gooit de boer een appel naar aanwezige mannen en vrouwen. De vrouwen vangen de appel op in schoot met de knieën uitelkaar, de mannen in hun schoot met de knieën naar elkaar toe. Ook de vrouw vangt de appel als een man, en moet dus de rover zijn. 's Nachts wordt de rover overmeesterd, als de bewoners op zijn fluit blazen duiken zijn metgezellen op die door de bewoners worden verdreven.


Bron

Nazending n.a.v. een eerdere ingezonden digitale DOC Volksverhalenvragenlijst via www.volksverhalen.nl

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Woudbloemer Reinetten    Woudbloemer Reinetten   

Slochterdiep    Slochterdiep   

Naam Locatie in Tekst

Denemarken    Denemarken   

Slochteren    Slochteren   

Plaats van Handelen

Slochteren    Slochteren   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22