Hoofdtekst
Niet de stad Roosendaal, die eenmaal als een andere Elisabeth de rozen der weldadigheid kon uitdeelen aan de arme oorlogsvluchtelingen, - niet de stad, die gebouwd werd in het eenzaam dal, waar slechts wilde rozen en distelen groeiden, heeft onder de parochiën der gemeente de oudste brieven.
Die eer komt aan het kleine Nispen toe. Daar stond de moederkerk van Roosendaal, van Esschen, van Calmpthout, van Nieuwmoer. In Roosendaal was een kleine kapel, die vanuit Nispen bediend werd. Maar de historie verhaalt, hoezeer de brave huislieden van Kalsdonk, Langdonk en Hulsdonk verlangden naar een eigen kerk en een eigen pastoor. De Witheeren van Tongerloo ontwierpen het plan eener nieuwe parochie. En van hoeveel stille verlangens moet de verheffing van Roosendaal tot afzonderlijk kerkdorp wel de bekroning geweest zijn! Het klinkt ons, verwende kinderen der twintigste eeuw, zoo vreemd in de ooren, als we vernemen, dat wegens den verren afstand van Nispen, en den ellendigen toestand der wegen, die in den winter bij overstrooming gevaar opleverden, besloten wordt een nieuw Godshuis te bouwen. De kerk zou toegewijd worden aan Maria, de Moeder Gods.
Frisch en koel was de Octobermorgen opgegaan over de velden en beemden van Roosendaalsche 'Donken'. De oostelijke hemel bloeide open in rood-en-gouden klaarte. Vanuit de bosschages bij de armelijke boerenhuizen, verstrooid langs de zandige wegen, klonk het gekraai der hanen als helle klaroenen. Tusschen de zwarte stammen der sparren en dennen zweefde nog de vochtige morgendauw als ijle wierook. Zwijgend schreden de kerkgangers over 't zandige pad naar het bedeoord, dat van verre wenkte met het koperen kruis op 't grauw-rieten dak. De vrouwen gingen gekleed in zwarte falie, zedig geplooid over 't hoofd. De mannen vormden kleine groepjes en zegden nu en dan een sober woord over veld en gewas, met 'n wijzend gebaar over de vochtige, bedauwde landen. Het waren de werkers van het Brabantsche land.
Maar wat doet opeens hun stap versnellen? Ze zijn gekomen nabij de plaats, waar eens hun eigen kerk verrijzen zal. Ze kennen de plek, weten iets van de plannen. Daar staat een groep, in blijde stemming, bij de weide. Ze wenken met gezwaai van armen en roepen de achterblijvers luide, om haast te maken.
Daar moet iets merkwaardigs gebeurd zijn. Heeft den verleden, neveligen Octobernacht in z'n grijzen mantel een kostbare gave gebracht op deze plek, die aan God gewijd zal zijn?
Gisteren, in den gelen herfstavond, zijn de zwarte ossen van den naburigen akkerman naar de kerkweide geleid, waar ze nog voedsel vonden. En nu liggen ze daar, ver van elkander in de weide, rustig droomend, en hun groote ronde oogen staren in het rijzende roode morgenlicht. Maar op hun ruige, zwarte huiden heeft de nachtdauw z'n sluier opgeworpen. Ze liggen wit-bewaasd, als wollen vachten, fijn oversponnen door 't weefsel van den nachtelijken Octobermist. Blank als de sneeuw vlekken hun forsche contouren op het vaaggroene gras, dat parelt van dauw.
En boven de hoofden der vrome kerkgangers begint de hemel te gloeien; geelrood en purper blinkt en kleurt het, waar de zon opgaat, en hooger boven hen, blauwgoud als de koninginnemantel der Moeder Gods.
En zie, wat het verwonderde volk méér verbaast: daar is een roodgouden draad van de fijnste herfstnevel gespannen rondom de neerliggende ossen. In de morgenzon glinstert en fonkelt dit glanzende spinsel. Ze volgen den herfstdraad, zie, hij omsluit op 't grasveld een groote ruimte, als een geweldig kruis, geteekend op den wazigen vloer der weide.
Nu gaat er de verwonderde toeschouwers een flits van begrijpen door 't hoofd. Was er geen geschil omtrent de grootte der te bouwen nieuwe kerk? Hier had Maria het huis voor Haar Zoon geteekend!
Waar komen die zwervende, zwevende herfstdraden vandaan?
Welke engelen spinnen ze des morgens uit de tranen van den nacht en het goud der rijzende zon?
Mariënfaden, Mariadraden noemen de Roomsche Rijnlanders zoo treffend die ijle zijden draden. Zij zijn van Maria's weefstoel gekomen. De geleerde prelaat van Tongerloo, Aug. Wichmans, heeft in z'n 'Brabantia Mariana' ook de legende der mirakuleuze afteekening der eerste Rosendaalsche kerk verhaald.
Vol symboliek is de schoone overlevering: wanneer we Maria vereeren, vertrouwvol en kinderlijk, heel ons leven lang, dan zal de Moeder langs deze devotie, als langs een anderen roodgouden draad uit den doolhof der wereld ons vervoeren tot Huis van Haar Zoon.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Elisabeth   
Nispen   
Nieuwmoer   
Kalsdonk   
Langdonk   
Witheeren   
Maria   
God   
Roomse   
Rijnlander   
Mariënfaden   
Mariadraden   
Aug. Wichmans   
Brabantia Mariana   
Onze Lieve Vrouw   
Brabantse   
Moeder   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Roosendaal   
Esschen   
Calmpthout   
Hulsdonk   
Tongerloo   
Donk   
