Hoofdtekst
O Maria die daar staat,
Gij zijt goed en ik ben kwaad;
Wilt gij mijn arme zielen gedenken,
'k zal U een Ave Maria schenken
Guido Gezelle
We schrijven den zestienden van Louwmaand, in 't jaar Onzes Heeren 1645.
Over de heide tusschen Baarle en Chaam ligt 'n zwaar sneeuwdek gespreid, voeten hoog, als een immense winterwade. De sneeuw omhult in wollige rondingen de heuvelige golvingen der doodsche vlakte. De zwarte dennen staan er wit-gemanteld als sombere, noordsche reuzen. Hier en daar steken enkele roestbruine gagel- en bremstruiken hun spichtig skelet boven het eindeloze wit, dat de wereld overdekt.
De avond begint te dalen. In 't westen verkwijnt de gele gloor der late winterzon, als spuide 'n ijle fijne sulferdamp van achter de grijze wolken. De heide ligt in desolate eenzaamheid.
Doch daar nadert een man van den kant van Baarle, moeizaam voortstrompelend over 't besneeuwde pad. 't Is Willem Verreyk uit Baelen, in 't hart der Brabantsche Kempen. Hij is een rondreizend marskramer, bekend bij alle dorpers tusschen Turnhout en Bergen, Mechelen en Den Bosch. Hij prijst z'n nederige negotie, altijd monter en gelijkmatig van humeur, dankbaar voor elk onthaal, dat hem soms te beurt valt in de afgelegen boerenhoeven. Zwervend met de hot op den rug, langs 's Heeren wegen, wint hij in tevredenheid z'n sober stuk brood. Hij is een ernstige, zwijgzame man, met een donkeren baard als een Apostelkop, maar z'n oogen blinken blauw, als opene zielemeren.
Willem Verreyk is op weg naar Chaam. Morgen, den zeventienden, wordt daar plechtig het patroonfeest gevierd van Sint Antonius, den Abt. Hij weet wel, dan komen van heinde en ver de bedevaarders bijeen. Werd niet dien geweldigen steenkolos van een toren, die opbonkt ginder aan den neveligen horizon, gebouwd uit de offergiften der pelgrims? Daar zal de kramer z'n snuisterijen aan den man kunnen brengen. Den stevigen eiken stok in de hand geklemd, stapt hij verder om nog voor 't donker de eerste hoeven te bereiken. En naar z'n gewoonte op al z'n zwerftochten, prevelt hij in zichzelven veel Weesgegroeten, als spreekt hij met en ongeziene reisgenoote. En de Sterre der Zee geleidt dezen trouwen man. Plots staat hij stil. Hij is bij een kleine hoogte gekomen, als een plooi in den heigrond. Verbazing grijpt hem aan. Rondom ligt de heide, eindeloos wit in 't onafzienbare sneeuwkleed. En die kleine hoogte is zwart met bladerloze struiken, als waren alle dansende sneeuwvlokken in hun dwarrelval afgewend van deze plek door een geheime machtige hand.
De kramer komt naderbij, nieuwsgierig, gedreven door vreemden drang... En opeens ontwaart hij op den grond een klein, fijngesneden Lievevrouwenbeeldje, staande in 't warrige kruid. Vol eerbied neemt hij het op, peinzend over 't wonderlijke van zoo'n vondst.
Dan gespt hij z'n mars van den rug en voorzichtig legt hij het beeldje daar in neer.
Nu slaat hij een blik om zich heen, - de heide ligt in eeuwige rust, en langzaam gaat hij weer verder, in gedachten verzonken. Wat wil de Moeder Gods? Willem Verreyk zal dit wondere beeldeken ergens plaatsen, opdat velen komen om het te vereren...
Wees gegroet Maria, vol van gratie...
Maar de kramer ziet niet, dat het verraad hem beloert. Hij is al dicht bij Chaam gekomen, z'n weg voert tusschen de dichte bosjes, waar de sneeuw nog ongerept ligt. Plots staan twee struikroovers voor hem. Hij hoort hun ruwe barsche stem, die hem doet opschrikken, hij ziet hun dreigende vuurroeren.
Alles moet hij afgeven, tot het laatste stuk goed! Maar de kramer is vastbesloten...
- Maria help! Zoo klinkt het uit z'n mond, met ijzeren greep omvat hij z'n eiken stok, zwaait hem in de lucht en geeft den eersten roover zulk een geweldigen slag op 't hoofd, dat hij geluidloos neerzinkt in de sneeuw. 'n Oogenblik staat de andere aanrander als versuft, maar dan heft hij 't wapen, gereed om te schieten. Z'n wraakkreet is schor als van een dier.
- Maria help! Roept de kramer, die den dood nabij meent. En Maria helpt; 't schot gaat niet af. Willem Verreyk heeft z'n knoestigen stok al geheven, maar de laffe roover is weggevlucht in de besneeuwde struiken langs den wegberm.
- Maria help! Bidt de kramer, die zich herstelt van den fellen schrik. IJlings gaat hij verder en bevindt zich weldra binnen de veilige omheining der hoeven van het oude Chaam.
Drie weken later zet hij het beeldje tegen een eik bij Werbeek, onder Rethy, niet ver van Baarle-Hertog. Buitengewoon was de toeloop der omwonenden. De toenmalige pastoor van Rethy verklaart dat 't aantal vreemdelingen zoo groot was, dat in de open lucht biecht werd gehoord. Met verlof van den Bosschen Vicaris bouwde den prelaat Wichmans een kapel.
Uit het land der Zaligheden kwamen ze in processie naar Werbeek onder geleide der herders.
En nog op den dag van heden pelgrimeren er de goede menschen uit de Kempen naar Onze Lieve Vrouwe ter Sneeuw.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw   
Guido Gezelle   
Willem Verreyk   
Sterre der Zee   
Maria   
God   
Wichmans   
Naam Locatie in Tekst
Baarle   
Chaam   
Brabant   
Kempen   
Baelen   
Den Bosch   
's Hertogenbosch   
Turnhout   
Bergen   
Mechelen   
Sint Antonius Abt   
Rethy   
Baarle-Hertog   
Werbeek   
