Hoofdtekst
Ze was de vrome dochter van een der roerigste en krijgshaftigste Brabantsche hertogen, die de geschiedenis kent.
Haar vader, Hendrik I, streed in 't Heilig Land en z'n zwaard maaide in de rijen der Muzelmannen, die 't Kruis haatten.
Maar teruggekeerd, werpt hij zich dadelijk te midden der twisten, die de Duitsche gouwen verscheurden. Met z'n vermaarde benden rukt hij te velde en verovert Aken, de kroningsstad, voor zijn jongen beschermeling Otto van Brunswijk, die hij tot koning van 't Heilige Roomsche Rijk laat uitroepen. Maar nimmer rust zijn zwaard. Het komt bij Heusden neer op de hoofden der Hollanders en Gelderschen; het verstrooit de Vlamingen aan de Scheldeboorden; het druipt van 't bloed in de moorddadige gevechten met de Luikenaars.
Deze dappere kruisvaarder wordt door den Paus in den ban geslagen, want gruwelijk is de verwoesting door zijn wilde scharen in de kerken van 't Luikerland aangericht.
Dan weegt het interdikt als een donkere wolk over Brabant, waar alle kerken gesloten zijn...
Maria van Brabant is de dochter van dezen man.
In de Meimaand van 1214 viert ze in de oude stad Maastricht haar huwelijk met den jongen koning Otto van Brunswijk, die al tot keizer gekroond werd in 't verre Rome... Maar 't is een huwelijk zonder feesten, zonder vreugde wellicht... Want weldra moet Otto, haar gemaal, naar 't slagveld vliegen in Zuid-Vlaanderen. En daar in de velden van Bouvines verliest Otto zijn kroon, en bijna het leven. Daar heeft de gigantische worsteling plaats der Frankische ridders, tegen de Duitschers, en de Engelschen, de Brabanders. Als een bolwerk blijven de achthonderd Brabanders van Hertog Hendrik stand houden, in de algemeene vlucht. Zij sneuvelden tot den laatsten man.
Keizer Otto moet spoorslags van het slagveld naar Keulen vluchten en verder naar 't vaderlijk stamslot in Brunswijk. Zijn jonge vrouw Maria, volgt hem, verkleed als een schildknaap. Zoo gaan de enkele jaren van haar huwelijksleven voorbij, vervuld van krijgsrumoer, van verwarring en wisseling. In 1217 sterft Otto, de keizer en Maria van Brabant keert terug naar haar land als jonge weduwe, die de volle zwaarte van menschelijk leed gekend heeft.
Nu woonde ze op haar vaderlijk erfgoed in Helmond, op het kasteel.
Nu gingen de dagen rustig voorbij; geheel het wild-bewogen verleden was vergaan tot een herinnering.
Nu leefde Maria van Brabant in haar eigen, eenvoudige, oude, getrouwe domein. Nu zal de Keizerin stichteres worden van de adellijke abdij van Binderen.
Op een herfstdag in 1231 was ze uitgereden in haar reiswagen met drie van hare jonkvrouwen. Haar dienaar, een gedoopte Moor, door haar vader meegevoerd uit 't H. Land, voert den wagen langs de zandige wegen. De muildieren ruiken den stal, sneller trekken ze de koets door den avond, die komt aandonkeren langs den rand der wijde vlakte. Maar met ontzetting bemerkt de Moor, dat hij den weg is kwijtgeraakt, de muilezels voeren den wagen in een moeras. Weeker en drassiger wordt de grond, reeds zakken de raderen tot aan de assen in den moer; de muildieren, verschrikt door 't angstgeschreeuw en schichtig geworden, door de kletsende zweepslagen kunnen de koets noch wenden noch keren. Hun hoeven trappelen woest in het drabbige, zuigende, verraderlijke en taaie veen, dat hóóg de modder spat. De radelooze voerman, tot de knieën weggezonken, ziet geen uitweg. Geen menschelijke hulp kan hun baten, de dorpers uit de Peel zijn verre, en al méér en méér komt de avondlijke duisternis legeren over de eenzame streek.
De keizerin, Maria van Brabant, beseft duidelijk het gevaar: 'Ach Gott, ich bin d'r in', klinkt het als een zachte klacht uit haar mond. En dan begint ze te bidden, met haar reisgezellinnen, vurig, volhardend, met smeekenden aandrang.
Ze belooft Maria, de Moeder Gods, een klooster Haar ter ere te zullen stichten, als ze gered werd uit dezen bangen nood. Als een zuivere vlam rijst haar innig gebed tot haar Patronesse omhoog...
Er komt redding, opeens bemerkt de Moor met vreugde en verbazing, dat de muildieren met den wagen door de drassige, weeke zonk héén geworsteld zijn; ze voelen, hijgend en trillend van angst en vermoeidheid, weer vasten grond onder de pooten; met geweldige inspanning geraken ze op de harde baan. En behouden bereikt Maria van Brabant haar burcht in den donkeren nacht, op 't einde van dezen avontuurvollen tocht, gedienstig geholpen door haar brave Peellanders.
En nu zal ze een goedgelegen plaats zoeken voor den bouw van haar klooster. Haar gedachten verwijlen met graagte bij 't plan, zij spreekt er over met haar geredde reisgenooten, zij droomt er van in schemeravonden, als ze neerzit in de vensternis van haar kasteel te Helmond, waar ze uitziet over welige waranden, die de kronkelende Aa omzoomen.
En op een avond schouwt ze 't wonderbare! Was 't een visioen? Op een klein eilandje, door den loop der rivier gevormd, ziet ze eenige vrouwen verschijnen, gekleed in 't witte habijt der orde van Sint Bernardus. Ze zingen gelijkmatig een zachten processiezang.
Als 't gezicht verdwenen is, heeft Maria van Brabant haar besluit genomen. Op die plek laat ze een abdij bouwen. De adellijke Cistercienser-nonnen noemden haar klooster tot een eeuwige memorie van Maria's machtige bescherming het stift van 'Binderen'.
Beschrijving
Op een avond heeft Maria een visioen, ze ziet vrouwen in habijten van de orde van Sint Bernardus. Op die plaats sticht ze een klooster.
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Binderen   
Hendrik I   
Heilig Land   
Muzelmannen   
Otto van Brunswijk   
Heilige Roomse Rijk   
Gelders   
Vlamingen   
Paus   
Maria van Brabant   
Frankisch   
Duits   
Engels   
Peel   
God   
Maria   
Sint Bernardus   
Cistercienser   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Aken   
Heusden   
Holland   
Vlaanderen   
Schelde   
Luik   
Maastricht   
Bouvines   
Franken   
Keulen   
Moor   
Helmond   
Aa   
