Hoofdtekst
Lang voor Anansi op zijn spinnedraad over de oceaan kwam, woonden zijn grootouders in Afrika. Daar was het lange tijd een vreselijke hongersnood, want jarenlang was er geen regendroppel meer gevallen. De bodem barstte van de droogte, planten verdorden en de bomen waren kaal; de vruchten en bladeren waren opgegeten door kleine dieren die van planten leven. Wie niet was weggetrokken naar betere streken zat weggekropen in de grond en wachtte in zijn graf op regen. Want verder was er niets meer over dan doodgaan van de honger of opgegeten worden door de grote dieren die van dieren leven.
De stank van dood hing tussen de verschroeide struiken en schudde hier en daar verwoed de kale twijgen, als twee beesten elkaar tegenkwamen en vochten om wie wiens magere karkas mocht opslokken. Een vreselijke rampentijd was dat!
Maar ergens in een boom woonde de oude slimmerik Oupa Anansi en die trok zich nergens iets van aan. Hij leefde met zijn vrouw en spinnekindertjes van af en toe een vlieg en een muskiet die in zijn web gevlogen kwamen. Tot er tenslotte zelfs geen zandluis meer kwam aangewaaid en hij zijn boom uitkroop op zoek naar voedsel.
Rechtdoor liep grootvader Anansi, urenlang langs stoffige, gebarsten grond en dorre bosjes, tot hij niet verder kon, omdat een groot blok rots zijn weg versperde. Dus sloeg hij linksaf en liep om de steen. Hij keek nog even om hoe of die steen eruit zag van de andere kant. Daar stond hij plotseling als vastgespijkerd ... Middenin dat verdorde landschap een blok rots, waarlangs een toverwaterval van fris-groen blad!
'Ai ai!' riep Oupa Anansi, 'wie heeft ooit zoiets geks gezien? Die steen, die steen heeft een baard!'
Nog was vriend Spin niet uitgesproken of, wap! daar vloog hij als een afgeschoten pijl de lucht in, dwars over de rots en groene baard en door bosjes, tot hij ... boem ... Auw! wel twintig meter verder op zijn achterste terechtkwam in een zandhoop.
'Verdorie,' zei hij zacht. 'Dit is hier blijkbaar een natuurverschijnsel. Als het niet doodgewoon een wonder is.'
Voorzichtig stond hij op en liep terug naar de steen. 'Ja,' zei hij, 'dat is het! Een wonder! Middenin deze droge tijd en kijk eens aan, die steen heeft een baard!'
Woep! Woorden nog niet koud uit zijn mond, daar vloog Oupa Anansi over alle bomen en in één seconde zat hij - 'Auw! Verdorie ...' - wéér op die zandberg in die uitgedroogde kreek.
'Een wervelwind,' zei hij geschrokken. 'Die steen heeft macht. Die steen wordt boos als ik zeg ...' Dus zei Spin niets meer. Wel ging hij rustig naar de kei terug en vond tussen de groene bladeren zowaar wat vette vliegen en een rondgevreten rups. Zo kwam hij die dag thuis met voor het hele gezin een lekker hapje te eten. En elke dag daarna vond hij wel wat in zijn geheime muskietenkwekerij. Die oude spillepoot bleef zo de vetste huisvader van het land en hoe de andere dieren ook probeerden uit te vinden waar hij dagelijks naartoe ging, ze waren veel te zwak geworden om hem achterna te gaan.
Tenslotte raakten de vliegen en muskieten op en toen hij net liep na te denken wat hij nu zou doen, botste grootvader Anansi in het struikgewas tegen vriend Tijger aan.
'Zo zo!' zei die, 'loop jij mij bijna van de sokken, vriend Anansi? Zo zwak ben ik nog niet dat jij nu sterker bent dan ik, ook al zie je er best lekker uit. Ik ben nooit dol geweest op spinnevlees, maar nu zou ik misschien zo'n sappig boutje toch wel willen kraken, want mijn maag rammelt al dagen.' En hij sloeg zijn grote klauw over Anansi's linkerachterstepoot als bewijs dat hij nog lang niet al zijn kracht verloren had.
'Lieve vriend Tijger,' piepte Oupa Anansi onder de indruk, want hij voelde zich ongeveer als een kanten zakdoekje onder een heet strijkijzer. 'Alsjeblieft, waarom zou jij iets harigs en onsmakelijks eten als ik ben? Terwijl ik een verrukkelijke geheime voorraad heb van voedsel, waar ik en mijn familie allemaal vet bij blijven ... Als je me loslaat, zal ik je dat laten zien!'
'Ik ken jou langer dan vandaag, Anansi,' bromde Tijger achterdochtig. 'Als ik je loslaat verdwijn je als een kakkerlak tussen de struiken. Ik blijf je in je nekvel vasthouden tot je me bij dat geheime voedsel brengt.'
Zo was grootvader Anansi wel gedwongen om een wandeling te maken met zijn onvriendelijke vriend Tijger. Ondertussen dacht hij diep na hoe hij die akelige, grote klauw daar uit zijn nek kon krijgen, tot ze na veel gestrompel en gezucht aankwamen bij de rots. Die stond daar altijd nog zo onbeweeglijk als een verongelukte vrachtauto, waaruit een lading groene bladeren naar beneden stroomde.
'Wat! Ben je gek geworden ...? brulde Tijger boos. 'Wou jij mij groente laten vreten? Denk je dat ik van pure uitgehongerdheid een geit geworden ben?' En hij klemde zijn andere klauw ook nog om de hals van Oupa Anansi, zodat die bijna stikte van ademnood.
'Nee, nee, dat is niet de bedoeling!' hijgde Spin haastig. 'Als jij je hier verstopt onder de struiken, dan haal ik Antilope hier naartoe. Terwijl die hier de bladeren staat te eten, kun jij hem grijpen en een sappig antilopeboutje kauwen.'
Bij dat idee kreeg Tijger het water tussen zijn slagtanden en hij liet Oupa dadelijk los. Die plukte toen vijf grote, groene bladeren en holde daarmee naar het huis van Antilope.
'Broer Antilope,' riep hij voor de deur, 'kom gauw, ik heb wat voedsel voor je meegebracht. En waar ik het vandaan heb, is nog veel meer!'
'Ach heer Anansi, dat is aardig van je,' zei Antilope en hij strekte zijn hand al uit naar de groente. 'Daar heb ik wel een week genoeg aan, zo weinig ben ik meer gewend.'
'Maar dit is niet allemaal voor jou,' zei Oupa Anansi haastig. En hij gaf Antilope één blad. 'Ik moet ook Varken, Bison en Giraffe nog wat geven. Maar als je meteen meekomt, dan kun je je vol eten tot je buik ervan barst.'
'Ach lieve vriend,' zei Antilope, 'ik ben zo zwak. Laat me dit blaadje eerst maar eten om op krachten te komen. Dan ga ik morgen met je mee.' Dus ging Oup' Anansie naar het huis van Varken, die in die dagen mager was als een skelet. 'Wat heb je dáár ...!' riep hij en slobberde meteen een van de bladeren uit de spinnepoot.
'Ho ho, die zijn niet allemaal voor jou,' zei Oup' Anansi haasig. 'Kom met me mee, dan kun je je hele grote buik vol eten tot je ervan barst.' Maar Varken was ook een lui varken en hij beloofde heer Spin mee te gaan, zodra die hem zoveel bladeren had gebracht, dat hij weer op krachten was gekomen. Dus ging grootvader Anansi naar het huis van Bison, maar die was eigenlijk al tevreden met één blad en daarom wilde hij pas meegaan als hij zich wat sterker voelde. En toen Giraffe bleek niet thuis te zijn en vader Hert de bladeren met smaak had opgegeten en daarna zei dat hij spinnen voor geen cent vertrouwde, - toen voelde Oupa Anansi zijn maag plotseling heel erg knorren en hij begreep dat hij weer diep moest nadenken.
Hij ging terug naar de omgeving van de baardsteen, waar Tijger ondertussen in het struikgewas in slaap was gevallen. Daar liep hij tot de zandheuvel in de rivier waar hij de eerste dag zo plotseling terechtgekomen was, en plantte daar een lange, scherpe stok, die hij daar in de buurt gevonden had. Toen maakte hij Tijger wakker en voor die goed en wel zijn ogen uitgewreven had, zei hij: 'Mijn beste vriend, ik heb niet alleen Antilope, maar ook nog Varken, Bison, Giraffe en Hert hierheen gehaald. Als je precies doet wat ik zeg, komen ze allemaal tevoorschijn. Je hoeft alleen maar hier midden voor die rots te gaan staan en dan wacht je tot ik fluit. Op dat moment zeg je ...' En hij fluisteerde Ba Tigri in zijn oor. 'Heb je het goed verstaan?'
'Ja, ja,' zei Tijger ijverig. 'Dan zeg ik: die steen ...'
'Ssst, stil, nog niet!' riep Oup' Anansi haastig. 'Pas als je mij hoort fluiten.' En hij liep gauw naar de zandhoop, waar de stok stond geplant. Hij floot en daarop schreeuwde Tijger: 'Die steen heeft een baaaard!' En floep ...! de schreeuw van Tijger hing nog in de lucht, of daar hing hij al vastgeprikt aan die scherpe stok op de zandberg, of hij van kop tot staart saté wou spelen, hartstikke dood!
Die grote tijger was genoeg voor wekenlang, en elke dag kwam er bij de familie Anansi een ander tijgergerecht op tafel: gebraden tijgerbillen, gestoofde tijgerborst, tijgergehakt of tijgercarbonade. En toen er alleen nog maar tijgerbotjes over waren, volgden er tijden van herte-lende en giraffestaart, van bisonbiefstuk, varkenssoep en antilopecotelet. Hm, hmm, die grote en kleine spinnen zagen er allemaal lekker dik uit.
Toen dat allemaal op was, bedacht Oup' Anansi dat er nog maar één gerecht was dat hij niet geproefd had: konijneboutjes.
Nu was het niet voor niets dat juist Konijn die vreselijke tijden overleefd had, want vriend Konijn heet ook Koni-Koni, wat zoveel wil zeggen als Slimmerd Slim. Maar toen Oup' Anansi hem wat bladeren van de baardsteen bracht, kwam hij toch uit zijn holletje tevoorschijn. 'Je ziet er mager uit, Konkoni,' begon Oupa. 'Ik dacht wel dat je wat te eten kon gebruiken. Waar leef je eigenlijk van?'
'Onder de grond blijven de wortels het langst sappig,' antwoordde Konijn. 'Maar ik moet toegeven, zoiets lekkers heb ik lang niet gezien, veel is er nergens meer te vinden.'
'Waarom kom je niet mee? Waar dit vandaan komt, is er nog een hele waterval van meer! Je kunt je buik daar zo buitenmatig bol gaan eten dat je barst, en nog een vracht naar huis dragen voor al je kindertjes.' Konijn liet zich verleiden en zo kwamen ze al spoedig bij de steen. 'Je hebt dus goed onthouden wat ik onderweg heb uitgelegd?' begon Oup' Anansi. 'Als ik fluit, dan roep je ... dat - wat ik je heb gezegd.' Konijn knikte alleen: 'Het is goed.'
Oup Anansi holde gauw achter de zandhoop en hij floot: 'Fuu-fu.' Maar toen ... gebeurde er helemaal niets. De oortjes van Konkoni bewogen zachtjes achter de takken, alsof hij kleine rondjes liep en in zichzelf een liedje neuriede.
'Fjoe-fjoe!' floot grootvader Anansi weer. En toen er nog steeds niets gebeurde, riep hij:
'Konijn, ben je daar nog?'
'Jazeker,' riep Konkoni vrolijk. 'Ja hoor, ik ben er nog.'
'Hoor je dan niet dat ik fluit? Fjoe-fjoe ...!'
'Ik hoor je, ja. En je fluit fjoe-fjoe.'
'Fjoe-fjoe! Roep dan toch! Je weet toch wel ...?'
'Wat ook weer?' riep Konijn sukkelig.
'Die steen ...,' schreeuwde opa Spin woedend. 'Jij stommeling, je bent nog stommer dan een koe ...'
'Die steen ... Wat allemaal?' Konkoni luisterde nauwkeurig.
'Nog stommer dan een varken, bison en giraffe en hert ...'
'Aha,' zei vriend Konkoni, 'is dat zo? Die steen heeft ... Ik versta je haast niet. Wat was dat ook weer met die steen?'
Nu werd Oup' Anansi zo verschrikkelijk razend: 'Die steen heeft ...' gilde hij. Hij leek wel een stuk vuurwerk waar je een lucifer bij houdt! Sissend en bibberend schoot hij naar de plaats waar Konijn stond. 'Die steen heeft een baaard!' knalde hij hem in zijn oor.
En op datzelfde ogenblik .. daar vloog die oude spillepoot, woems, omhoog, zo, pjoe ... pardoes met zijn billen op de prikstok, die hij had klaargezet voor Konkoni. En hartstikke morsdood dat hij was! Maar Konkoni ging naar huis met een hele bos lekkere groene bladeren voor zijn konijnekindertjes en hij leerde ze een liedje:
'Konijn ging naar het bos toe,
met twee man heen,
terug alleen.
Konijn ging naar het bos toe,
twee met elkaar
en één bleef daar.'
En ik weet achterkleinkinderen van die oude, oude Anansi, die dat liedje nog kennen, want kleinzoon Anansi heeft het vaak gezongen voor zijn kindertjes, om ze te waarschuwen dat ze niet té slim moeten zijn.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Oupa Anansi   
Anansi   
Tijger   
Antilope   
Varken   
Oup' Anansi   
Hert   
Ba Tigri   
Konijn   
Koni-Koni   
Naam Locatie in Tekst
Spin   
Bison   
Giraffe   
Konkoni   
