Hoofdtekst
De Fario
U denkt misschien dat Zeeuwsch Vlaanderen er altijd al geweest is en dat het altijd was zooals het nu is. Vruchtbare zware klei en daarop welvarende dorpen. Stoere boeren en frissche boerinnetjes. Wuivend graan en uitgestrekte bietenvelden. Ja ja, u denkt dat het altijd zoo geweest is maar dan vergeet ge de geheimzinnige krachten. Dan hebt ge verzuimd om naar het geheimzinnige ruischen van de Schelde te luisteren. Dan hebt ge niet gesoesd over het verdronken land van Saeftinge; dan hebt ge niet gedroomd over de Braakman.
Nee, Zeeuwsch Vlaanderen was niet altijd zooals het nu is.
In overoude tijden was er bijna geen land. In het grijze verleden golfde er de zee. De Schelde zegt u, maar dat was eigenlijk de zee. Uit het Westen kwam hij aanrollen. Van de verre mistige horizont kwam hij aangebruist en spoelde om de eilandjes en de banken heen die later Zeeuwsch Vlaanderen geworden zijn. Hij naam hier stukken land weg en wierp ginder een bank neer. Hij vrat landtongen af en holde heele eilanden uit. Hij bruiste en schuimde en zong er zijn eeuwig lied. Ver drong hij het land in en zonder mededoogen sloeg hij de dijken weg die de schaarsche bevolking opwierp ter beveiliging van het armzalige stukje land dat midden in de rollende golven lag.
Zeker, waar nu Zeeuwsch Vlaanderen ligt zong eens de zee zijn lied van viktorie.
Maar het was besloten dat het zoo niet blijven zou. De zee zou er geen heer en meester blijven.
Zeker, geleerde menschen zeggen dat de Schelde verzand is. De gaten slibden dicht en de eilanden groeiden aan. Er ontstonden banken en daar tegenaan weer banken.
Zoo spreken de geleerden en zij kunnen u bewijzen dat het ook wel gaan moest zoo. Geleerde menschen weten veel en kunnen u van alles vertellen.
Maar de wonderlijke dingen weten ze niet.
O, neen, de geheime dingen gaan aan hen voorbij.
De stroom ging zoo en zoo, het land lag zoo en zoo, de winden woeien zoo en zoo, er moest dus land groeien.
Zoo zeggen de geleerden maar zonder de Fario zou er de zee nog altijd heer en meester zijn.
Zonder de haringkoning zouden er nu geen vette kleiakkers liggen en zou het gele rijpe koren er zijn aren niet wuiven in de wind, in de wind die nog wel naar de zee ruikt maar die toch ook de geuren van hooi en gras met zich voert.
Zonder de Fario waren er geen frissche boerinnetjes op het vette land van Zeeuwsch Vlaanderen en zonder die Fario zou ook nooit Reintje de Vos in de buurt van Oostburg rond hebben kunnen sluipen om er de wolf zijn parten te spelen.
Dat wist u niet hè, van die vos en die wolf? Maar u zult het wel aan de weet komen, later, nu gaat het om de Fario. De Fario, die koning was van de school haring, en aan wie het te danken is dat Zeeuwsch Vlaanderen ontstaan is.
Dat is dan zoo gegaan.
Het was in de tijd dat niet alleen de Leeuw koning was onder de dieren maar dat ook de haring een koning had.
Het mag vreemd klinken, maar het is toch zoo.
In het grijze verleden was er bij elke school haring een geboren koning. Een groote dikke haring die voorzwom, die de weg wees, die het plan de campagne uitdacht, die de school door moeilijke situaties heen hielp, enfin, een koning die de baas en de leider was.
Nu had die koning een privilege. Natuurlijk, zonder dat zou hij geen koning geweest zijn.
Hij had bepaalde voorrechten en één daarvan was dat hij nooit gevangen mocht worden.
Dat was niet zoo zeer een wet van Perzen en Meden onder de haringen zelf als wel onder de visschers. Heinde en veer waren de visschers van de verschillende eilandjes, die later Zeeuwsch Vlaanderen zouden vormen er diep van doordrongen dat het zonde was de Fario te vangen. Niet alleen een zonde maar een doodzonde. Een vergrijp waar een vreeselijke straf op zou volgen.
Iedereen die met zijn notedop op de baren dobberde wist wat er volgen zou wanneer hij zoo driest was de Fario toch te vangen. Dat zou het begin van het eind zijn.
De haring zou de weg naar de zeegaten niet meer weten te vinden, zandbanken zouden groeien daar waar diep vaarwater was, kreken en slenken zouden volslibben, het zeewier zou op de golven zwalpen om met zijn lange bruingroene glibberige armen het slib vast te houden. De eilanden zouden naar elkander toe groeien en het vischrijke water zou van lieverlede veranderen in uitgestrekte bruine doode schorren waar niets leven kon dan krabben en schorpioenen en wanstaltige griezelige waterduizendpooten. De visch zou verdwijnen en de visschers verhongeren.
Zeker, de visschers wisten het wel.
En toch .... en toch ....
Eens is het gebeurd dat een visscher zich bezondigde aan de Fario.
Hij haalde het net in en tusschen de spartelende zilverige schittervangst was ook de Fario.
Nu gebeurde het natuurlijk een enkele keer meer dat een Fario in het net verzeild raakte. Dat spreekt vanzelf. Hij was de koning. De leider om zoo te zeggen. Hij was dus altijd daar waar het grootste gevaar dreigde.
En waar is het gevaar dreigender voor een school haring dan in de buurt van het net?
Het gebeurde dus meermalen dat de Fario hulpeloos in de netten te spartelen lag, temidden van zijn glinsterende schitterende onderdanen, maar steeds liet de visscher hem dan weer zwemmen. Niet één zou zich aan de Fario vergrijpen.
Maar deze drieste visscher zwol de krop van trots en hoogmoed toen hij de Fario in het net spartelen zag.
Ha! Een koningsvangst!!
Met gierige greep graaide hij in het net en nam er de koning uit.
Ha!
Hem laten zwemmen? Maar waarom dan? Waarom zou hij zoo'n dikke vette visch weer in zee gooien?
De vloek die er op rustte?
Maar wat had hij met die zotte praatjes te maken? Was hij niet de groote sterke visscher? Was hij niet de rijkste man uit de heele omtrek? Zou hij zich door zoo'n nietige haring de wet laten stellen?
Nog meer zwol hem de krop en met een wijden zwaai gooide hij de Fario in de bun.
Maar .... de zandbanken begonnen te groeien, het zeewier begon te zwalpen, de eilanden werden grooter, het water kon in de kreken en slenken niet meer komen, de visch wist de weg niet meer te vinden, de visschers verarmden, de zeehandel verviel en waar eens de rijke havens waren rees het vette Zeeuwsch Vlaanderen langzaam maar zeker uit de golven op.
Zoo is de geschiedenis van de Fario en van het ontstaan van Zeeuwsch Vlaanderen.
U denkt misschien dat Zeeuwsch Vlaanderen er altijd al geweest is en dat het altijd was zooals het nu is. Vruchtbare zware klei en daarop welvarende dorpen. Stoere boeren en frissche boerinnetjes. Wuivend graan en uitgestrekte bietenvelden. Ja ja, u denkt dat het altijd zoo geweest is maar dan vergeet ge de geheimzinnige krachten. Dan hebt ge verzuimd om naar het geheimzinnige ruischen van de Schelde te luisteren. Dan hebt ge niet gesoesd over het verdronken land van Saeftinge; dan hebt ge niet gedroomd over de Braakman.
Nee, Zeeuwsch Vlaanderen was niet altijd zooals het nu is.
In overoude tijden was er bijna geen land. In het grijze verleden golfde er de zee. De Schelde zegt u, maar dat was eigenlijk de zee. Uit het Westen kwam hij aanrollen. Van de verre mistige horizont kwam hij aangebruist en spoelde om de eilandjes en de banken heen die later Zeeuwsch Vlaanderen geworden zijn. Hij naam hier stukken land weg en wierp ginder een bank neer. Hij vrat landtongen af en holde heele eilanden uit. Hij bruiste en schuimde en zong er zijn eeuwig lied. Ver drong hij het land in en zonder mededoogen sloeg hij de dijken weg die de schaarsche bevolking opwierp ter beveiliging van het armzalige stukje land dat midden in de rollende golven lag.
Zeker, waar nu Zeeuwsch Vlaanderen ligt zong eens de zee zijn lied van viktorie.
Maar het was besloten dat het zoo niet blijven zou. De zee zou er geen heer en meester blijven.
Zeker, geleerde menschen zeggen dat de Schelde verzand is. De gaten slibden dicht en de eilanden groeiden aan. Er ontstonden banken en daar tegenaan weer banken.
Zoo spreken de geleerden en zij kunnen u bewijzen dat het ook wel gaan moest zoo. Geleerde menschen weten veel en kunnen u van alles vertellen.
Maar de wonderlijke dingen weten ze niet.
O, neen, de geheime dingen gaan aan hen voorbij.
De stroom ging zoo en zoo, het land lag zoo en zoo, de winden woeien zoo en zoo, er moest dus land groeien.
Zoo zeggen de geleerden maar zonder de Fario zou er de zee nog altijd heer en meester zijn.
Zonder de haringkoning zouden er nu geen vette kleiakkers liggen en zou het gele rijpe koren er zijn aren niet wuiven in de wind, in de wind die nog wel naar de zee ruikt maar die toch ook de geuren van hooi en gras met zich voert.
Zonder de Fario waren er geen frissche boerinnetjes op het vette land van Zeeuwsch Vlaanderen en zonder die Fario zou ook nooit Reintje de Vos in de buurt van Oostburg rond hebben kunnen sluipen om er de wolf zijn parten te spelen.
Dat wist u niet hè, van die vos en die wolf? Maar u zult het wel aan de weet komen, later, nu gaat het om de Fario. De Fario, die koning was van de school haring, en aan wie het te danken is dat Zeeuwsch Vlaanderen ontstaan is.
Dat is dan zoo gegaan.
Het was in de tijd dat niet alleen de Leeuw koning was onder de dieren maar dat ook de haring een koning had.
Het mag vreemd klinken, maar het is toch zoo.
In het grijze verleden was er bij elke school haring een geboren koning. Een groote dikke haring die voorzwom, die de weg wees, die het plan de campagne uitdacht, die de school door moeilijke situaties heen hielp, enfin, een koning die de baas en de leider was.
Nu had die koning een privilege. Natuurlijk, zonder dat zou hij geen koning geweest zijn.
Hij had bepaalde voorrechten en één daarvan was dat hij nooit gevangen mocht worden.
Dat was niet zoo zeer een wet van Perzen en Meden onder de haringen zelf als wel onder de visschers. Heinde en veer waren de visschers van de verschillende eilandjes, die later Zeeuwsch Vlaanderen zouden vormen er diep van doordrongen dat het zonde was de Fario te vangen. Niet alleen een zonde maar een doodzonde. Een vergrijp waar een vreeselijke straf op zou volgen.
Iedereen die met zijn notedop op de baren dobberde wist wat er volgen zou wanneer hij zoo driest was de Fario toch te vangen. Dat zou het begin van het eind zijn.
De haring zou de weg naar de zeegaten niet meer weten te vinden, zandbanken zouden groeien daar waar diep vaarwater was, kreken en slenken zouden volslibben, het zeewier zou op de golven zwalpen om met zijn lange bruingroene glibberige armen het slib vast te houden. De eilanden zouden naar elkander toe groeien en het vischrijke water zou van lieverlede veranderen in uitgestrekte bruine doode schorren waar niets leven kon dan krabben en schorpioenen en wanstaltige griezelige waterduizendpooten. De visch zou verdwijnen en de visschers verhongeren.
Zeker, de visschers wisten het wel.
En toch .... en toch ....
Eens is het gebeurd dat een visscher zich bezondigde aan de Fario.
Hij haalde het net in en tusschen de spartelende zilverige schittervangst was ook de Fario.
Nu gebeurde het natuurlijk een enkele keer meer dat een Fario in het net verzeild raakte. Dat spreekt vanzelf. Hij was de koning. De leider om zoo te zeggen. Hij was dus altijd daar waar het grootste gevaar dreigde.
En waar is het gevaar dreigender voor een school haring dan in de buurt van het net?
Het gebeurde dus meermalen dat de Fario hulpeloos in de netten te spartelen lag, temidden van zijn glinsterende schitterende onderdanen, maar steeds liet de visscher hem dan weer zwemmen. Niet één zou zich aan de Fario vergrijpen.
Maar deze drieste visscher zwol de krop van trots en hoogmoed toen hij de Fario in het net spartelen zag.
Ha! Een koningsvangst!!
Met gierige greep graaide hij in het net en nam er de koning uit.
Ha!
Hem laten zwemmen? Maar waarom dan? Waarom zou hij zoo'n dikke vette visch weer in zee gooien?
De vloek die er op rustte?
Maar wat had hij met die zotte praatjes te maken? Was hij niet de groote sterke visscher? Was hij niet de rijkste man uit de heele omtrek? Zou hij zich door zoo'n nietige haring de wet laten stellen?
Nog meer zwol hem de krop en met een wijden zwaai gooide hij de Fario in de bun.
Maar .... de zandbanken begonnen te groeien, het zeewier begon te zwalpen, de eilanden werden grooter, het water kon in de kreken en slenken niet meer komen, de visch wist de weg niet meer te vinden, de visschers verarmden, de zeehandel verviel en waar eens de rijke havens waren rees het vette Zeeuwsch Vlaanderen langzaam maar zeker uit de golven op.
Zoo is de geschiedenis van de Fario en van het ontstaan van Zeeuwsch Vlaanderen.
Beschrijving
In de tijd dat Zeeuws Vlaanderen nog zee was, was de Fario de koning van de haringen. Er zou een vloek op rusten wanneer hij gevangen zou worden en niet teruggegooid in zee. Het was dus een ongeschreven wet dat elke visser de Fario terug zou gooien. Tot één visser besloot dat niet te doen ...
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 22-25.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Fario   
Saeftinge   
Reintje de Vos   
Perzen   
Meden   
Naam Locatie in Tekst
Zeeuws Vlaanderen   
Schelde   
Braakman   
Oostburg   
Leeuw   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
