Hoofdtekst
No. 67. De wilde storm die joelt over Brabant! Een donkere drom gebalde onweerswolken, laag aan de lucht, soms opengereten door een flitsende bliksemstraal! Beneden, de buigende boomen van het dennenbosch, krakend en kreunend, met verwaaide toppen, met gebroken takken, in klagende angst. De moerassige heide waarover de storm giert met monotoon hoei-hoei geluid; en door alles het plassen van den regen. Temidden van bosschen en heidevelden, als verloren, ligt het oud grijs-kille klooster van Postel. In de kapel, waar het licht brandende bleef, knielen de witheeren en bidden devoot, tot verlossing der wereld, want het is de nacht van Walpurgis en de duivel heeft macht over de aarde. Opeens is er in de lucht, over de wolken, een luid gedruisch, van vele stampende hoeven, en licht spat op uit metalen hoefijzers.
Dat zijn de Bokkenrijders. Ze rijden naar de Mookerhei, waar hun meester, zijn jaarlijkse orgie viert. Maar eensklaps staan de zwarte bokken, met steigerend voorpooten, doodstil; de zware adem hijgt uit hun bek; zij trillen over hun heele lichaam. Daar is even een stilte, als hield de storm zijn adem in en uit de diepte klinken de gebeden der Witheeren op, en de bokken kunnen zich niet bewegen. De bokken kunnen noch vooruit, noch achteruit, al vloeken de Bokkenrijders, als slaan ze met felle zweepen, al ranselen ze met gebalde vuisten, in onmachtige toorn en in grooten vrees... Den geheelen nacht bidden de witheeren. Den geheelen nacht blijven de bokken roerloos. Daar kraait in het verre dorp een haan, overwinnend, en de storm vliedt met haastige vleugelen over de heidevelden verder. De Bokkenrijders zijn verdwenen. Men heeft ze nooit weerom gezien. 3)
Dat zijn de Bokkenrijders. Ze rijden naar de Mookerhei, waar hun meester, zijn jaarlijkse orgie viert. Maar eensklaps staan de zwarte bokken, met steigerend voorpooten, doodstil; de zware adem hijgt uit hun bek; zij trillen over hun heele lichaam. Daar is even een stilte, als hield de storm zijn adem in en uit de diepte klinken de gebeden der Witheeren op, en de bokken kunnen zich niet bewegen. De bokken kunnen noch vooruit, noch achteruit, al vloeken de Bokkenrijders, als slaan ze met felle zweepen, al ranselen ze met gebalde vuisten, in onmachtige toorn en in grooten vrees... Den geheelen nacht bidden de witheeren. Den geheelen nacht blijven de bokken roerloos. Daar kraait in het verre dorp een haan, overwinnend, en de storm vliedt met haastige vleugelen over de heidevelden verder. De Bokkenrijders zijn verdwenen. Men heeft ze nooit weerom gezien. 3)
Onderwerp
TM 3114 - De Bokkenrijders   
Beschrijving
Tijdens een wilde storm bidden de godsdienstigen in de kapel van Postel. Het is de nacht van Walpurgis en de duivel heeft macht over de aarde. Op een gegeven moment verschijnen de Bokkenrijders. Maar door de gebeden van de witheren kunnen de bokken zich niet meer bewegen. Als dan de haai met zonsopgang kraait, zijn de Bokkenrijders verdwenen en niemand heeft ze ooit weergezien.
Bron
Noord-Brabantsch Sagenboek/ J. R. W. Sinninghe. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie. - [1933], p. 52-53.
Commentaar
[1933]
Valt onder hoofdstuk en titel(s): I. Mythologische Sagen: De Daemonen der vier elementen: D. Luchtgeesten: 2. Bokkenrijders.
Bronnen:
3) naar Panken, Br. S., No. 38, 39.
Ter verg.: Welters, Limb. S., II, 82-98. Kemp, Limb. S., 32. Wolf, N. S., No. 436. Panken, Br. S., No. 41. de Cock's Teirl., No. 734. Teirlinck, Folkl. Flam., 131-132. Ons Volksl. IV, 117. Taxandria (Thurnhout), 1907, blz. 98.
Bronnen:
3) naar Panken, Br. S., No. 38, 39.
Ter verg.: Welters, Limb. S., II, 82-98. Kemp, Limb. S., 32. Wolf, N. S., No. 436. Panken, Br. S., No. 41. de Cock's Teirl., No. 734. Teirlinck, Folkl. Flam., 131-132. Ons Volksl. IV, 117. Taxandria (Thurnhout), 1907, blz. 98.
De Bokkenrijders
Naam Overig in Tekst
Walpurgis   
Postel   
Mookerhei   
Bokkenrijders   
Witheeren   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
