Hoofdtekst
Ossaert
In het land van Hulst waart hij rond, de verschrikkelijke Ossaert.
Niemand heeft hem ooit gezien en niemand zal hem ooit zien maar hij spookt er niettemin.
Op donkere avonden hokt hij achter een damhek of in een droge sloot en beidt zijn tijd. Hij wacht en wacht en loert met loensche oogen de weg af.
Wee de man die langs hem moet. Wee de man die zich verlaat heeft en die nu in het nachtelijke uur de weg naar huis gaat. Ossaert ligt op de loer, hij ligt op sprong, hij wacht zijn kans.
Plotseling springt hij te voorschijn en de argelooze voorbijganger op de rug. Hij knijpt hem met zijn knokige vingers de keel half dicht en hij drukt hem de puntige knieën in de zijden; hij bekwijlt hem hoofd en nek, hij jaagt hem voort, de weg langs, de dijk af, de dreef op, de boogerd door, het korenveld om, het bietenveld door, voort, voort, altijd maar voort.
Hij laat van zijn slachtoffer niet af, de heele nacht niet. Wat hij eenmaal besprongen heeft rijdt hij af.
De angst wringt de keel van het slachtoffer dicht; Ossaert schatert. De knieën van den man die langs dijken en velden gejaagd wordt knikken; Ossaert gilt.
Hij laat niet los. Hij jaagt op. Hij schatert het uit, hij gilt, maar alleen die eene man hoort het. Hij kwijlt en bijt en de man die hem draagt kan niets terug doen.
Neen maar de man moet voort, de heele lange nacht door, langs velden en wegen, door akkers en slooten, om hoeven en over hekken, altijd maar door met Ossaert op zijn rug om pas bij het morgengrauwen van hem verlost te worden.
Ja, zulke verschrikkelijke dingen gebeuren er in 't land van Hulst.
In het land van Hulst waart hij rond, de verschrikkelijke Ossaert.
Niemand heeft hem ooit gezien en niemand zal hem ooit zien maar hij spookt er niettemin.
Op donkere avonden hokt hij achter een damhek of in een droge sloot en beidt zijn tijd. Hij wacht en wacht en loert met loensche oogen de weg af.
Wee de man die langs hem moet. Wee de man die zich verlaat heeft en die nu in het nachtelijke uur de weg naar huis gaat. Ossaert ligt op de loer, hij ligt op sprong, hij wacht zijn kans.
Plotseling springt hij te voorschijn en de argelooze voorbijganger op de rug. Hij knijpt hem met zijn knokige vingers de keel half dicht en hij drukt hem de puntige knieën in de zijden; hij bekwijlt hem hoofd en nek, hij jaagt hem voort, de weg langs, de dijk af, de dreef op, de boogerd door, het korenveld om, het bietenveld door, voort, voort, altijd maar voort.
Hij laat van zijn slachtoffer niet af, de heele nacht niet. Wat hij eenmaal besprongen heeft rijdt hij af.
De angst wringt de keel van het slachtoffer dicht; Ossaert schatert. De knieën van den man die langs dijken en velden gejaagd wordt knikken; Ossaert gilt.
Hij laat niet los. Hij jaagt op. Hij schatert het uit, hij gilt, maar alleen die eene man hoort het. Hij kwijlt en bijt en de man die hem draagt kan niets terug doen.
Neen maar de man moet voort, de heele lange nacht door, langs velden en wegen, door akkers en slooten, om hoeven en over hekken, altijd maar door met Ossaert op zijn rug om pas bij het morgengrauwen van hem verlost te worden.
Ja, zulke verschrikkelijke dingen gebeuren er in 't land van Hulst.
Beschrijving
Ossaert is een verschrikkelijk monster die rondwaart in de nacht. Hij bespringt zijn slachtoffers op de rug en laat niet meer los. Pas in de ochtend wordt het slachtoffer verlost van het monster.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 28-29.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Ossaert   
Ossaart   
Naam Locatie in Tekst
Hulst   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
