Hoofdtekst
De zeemeermin van Westenschouwen
Het is met Westenschouwen gegaan zooals het gaan moest. Na de bloei is het verval gekomen en eindelijk is het door de golven van de zee verzwolgen. Het is er mee gegaan zooals het er mee moest gaan.
Westenschouwen werd groot. Het groeide en bloeide. De schepen voeren in en uit zijn haven. Op de kaden was het een druk heen en weer geloop. Er kwamen menschen uit vele hoeken van het land. De nering bloeide. Natuurlijk, waar veel menschen komen en gaan bloeit de nering. Werd er de Rijnsche wijn niet geschonken in acht en twintig herbergen? Kwamen er niet vele vreemdelingen en was de handel niet voortdurend wassende? En was de visscherij niet een bron waar de welstand uit opborrelde?
Zoo was het alles te Westenschouwen maar de menschen konden de weelde niet dragen. Zooals het dikwijls gaat, de rijkdom verstokte hun hart. De menschen te Westenschouwen waren al sedert lang niet meer de eenvoudige lieden van voorheen. Ze werden hoovaardig. En hardvochtig. Ze begonnen schitterende huizen te bouwen maar de arme behoeftigen vergaten ze. Ze schaften zich kostbare kleederen aan en zagen met onbewogen hart toe, wanneer hun medemensch naakt liep.
Ook waren ze niet meer de onvervaarde stoere werkers van voorheen. De weelde had hun armen slap gemaakt en hun blik dof. Waar vroeger stoute ondernemingsgeest was heerschte nu de zucht om te teren op de reeds verworven overvloed. Waarom hebben wij schatten en rijkdommen, zeiden die van Westenschouwen als het niet is om er van te genieten? Waarom zouden we het vette der aarde niet proeven?
Zoo verslapten die van Westenschouwen meer en meer. En hun hart verstokte.
Op een keer nu gebeurde het dat visschers van Westenschouwen een vreemde vangst deden. Het net was zoo zwaar dat de mannen het bijna niet binnen boord konden halen. Ze trokken en trokken en verheugden zich al in de klaarblijkelijk zoo rijke vangst. Maar toen ze zoo ver waren dat ze konden zien wat zich in het net bevond .... wie beschrijft hun verbazing .... want inplaats van zilverig glinsterende haring of donkerbruin gespikkelde bot en schol zat een schoone zeemeermin in de mazen van het net verward. Ze spartelde, en kronkelde zich in allerlei bochten om los te komen en ze sloeg met haar schitterende visschestaart het water van de Schelde maar ach! ze was machteloos. Het sterke verraderlijke net slingerde zich om haar armen en om haar hoofd, verlamde de slagen van haar staart, maakte de bewegingen van haar sierlijke slanke armen machteloos, hield haar schoone krachtige lichaam in bedwang, kortom, hield haar gevangen.
Ha! riepen de visschers van Westenschouwen, ha! zie eens wat we gevangen hebben! Een schoone zeemeermin. Laat ons haar binnen boord halen en haar naar de stad voeren! We zullen de menschen in de stad eens wat wonderlijks te zien geven. Men zal ons zeker goed betalen voor het bijzondere schouwspel. Komt mannen, helpt een handje! Haalt het net binnen! Komt! Met vereende krachten!
En de gevangen zeemeermin, die in haar doodsangst met haar armen sloeg en probeerde de mazen van het net te verscheuren, die met haar krachtige groenglanzende staart het water geeselde, smeekte de visschers van Westenschouwen haar toch vrij te laten. Haar te verlossen uit de verwarring van het net en haar terug in het water te laten duiken.
Maar de visschers van Westenschouwen deden of ze de smeekbeden van de zeemeermin niet verstonden.
Wat ging het hen aan? Medelijden kenden ze nu eenmaal niet. Daarvoor waren ze te trotsch en te hoovaardig. Ze letten niet eens op het geschrei van de meermin, gaven haar niet eens antwoord en haalden haar binnen boord en wendden de steven.
Maar daar klonk van uit zee dezelfde smeekbede.
Visschers van Westenschouwen, laat haar toch gaan? Wat hebt ge aan een arme zeemeermin? Ze kan immers buiten het water niet leven. Bij u moet ze sterven! O, visschers van Westenschouwen, laat haar toch vrij!
Ha! lachten de visschers van Westenschouwen, ha! hoor eens! Dat is zeker haar man die zoo schreeuwt en grient!
En zoo was het.
Dicht bij de visschersboot zwom de meerman. De meerman met het kleine kindje.
Het kleine kindje hield hij in de armen.
Dat strekte zijn armpjes uit naar zijn moeder en het schreide zachtjes.
Maar de visschers van Westenschouwen werden er niet door bewogen.
Wat ging het hen aan? Wat hadden zij met het kindje van de zeemeermin te maken? En wat deed hen de smart van de meerman die met forsche slagen meezwom, langszij van het schip dat naar de haven terugkeerde?
Ha! riepen de visschers elkander overmoedig toe, ha! het is haar man! Zie, hij heeft haar kind in de armen! Ha, wat hij zwemmen kan!
En luid schalde hun brutale lach over de wateren van de Schelde.
Nee, zij waren niet van plan de zeemeermin los te laten. Waarom zouden ze dat doen? Ze wilden er hun plezier van hebben. De meerman moest zelf maar zien hoe hij uitkwam met zijn smart. Dat was een ding dat hen niet aanging. Zij wilden hun plezier aan hun vangst beleven. Met iets anders hadden zij niet te maken. Waren ze niet de trotsche hoogmoedige visschers van Westenschouwen?
En gedurende de geheele tocht, terug naar de haven, zwom de meerman met het kindje in zijn armen naast het schip. Hij dook onder en kwam weer boven en herhaaldelijk smeekte hij: Laat haar toch vrij! Zie dan toch dat ze sterft! Zie dan toch dat ze naar het water smacht. Wat de lucht is voor u, is het water voor ons. Visschers, visschers, laar haar toch vrij!!!
Maar de vischers van Westenschouwen haalden slechts hun schouders op. En ze lachten hoonend. Wat ging hen de nood van anderen aan?
En vlak bij de haven smeekte de meerman nog een laatste maal.
Zie, ze sterft, laat haar vrij! Geef haar mij terug!
En als om kracht bij te zetten aan zijn smeekbede hief hij het kleine meerkindje hoog uit boven de golven.
Geef haar ons terug!
Doch de visschers van Westenschouwen lachten slechts.
Wat ging hen de nood van anderen aan?
Maar toen dook de meerman naar de diepte van de zee.
Hij bleef lang onder, heel lang, en toen hij boven kwam was hij bedekt met kroos en met lange slingers wier. Zijn handen had hij tot vuisten geknepen en toen hij ze opende bleek het dat hij handen vol zand opgedoken had.
Langzaam liet hij het opgedoken zand in het water vervloeien, het kroos en het wier hief hij hoog boven de golven en met een schrikkelijke stem vloekte hij:
"Westenschouwen!
't zal u berouwen,
dat ge genomen hebt mijn vrouwe.
Westenschouwen zal vergaan.
Alleen de toren zal blijven staan."
Daarop dook hij onder met zijn kindje en niemand heeft hem ooit weer teruggezien.
Maar van die tijd af begon de haven te verzanden. Wier en zand deden hun langzame werk.
Voor de haven groeide een bank waardoor het voor de schepen onmogelijk werd in en uit te varen.
En toen de handel reeds lang lam lag in Westenschouwen en de visscherij vervallen, heeft de zee de eens zoo trotsche stad in een enkele nacht verzwolgen.
Er is van Westenschouwen sedert lang niets meer over dan de herinnering.
Nu klotsen de golven waar eens de hardvochtige visschers, wien de nood van anderen niets aanging, leefden en streefden.
Ja, het is met Westenschouwen gegaan zooals het gaan moest.
Het is met Westenschouwen gegaan zooals het gaan moest. Na de bloei is het verval gekomen en eindelijk is het door de golven van de zee verzwolgen. Het is er mee gegaan zooals het er mee moest gaan.
Westenschouwen werd groot. Het groeide en bloeide. De schepen voeren in en uit zijn haven. Op de kaden was het een druk heen en weer geloop. Er kwamen menschen uit vele hoeken van het land. De nering bloeide. Natuurlijk, waar veel menschen komen en gaan bloeit de nering. Werd er de Rijnsche wijn niet geschonken in acht en twintig herbergen? Kwamen er niet vele vreemdelingen en was de handel niet voortdurend wassende? En was de visscherij niet een bron waar de welstand uit opborrelde?
Zoo was het alles te Westenschouwen maar de menschen konden de weelde niet dragen. Zooals het dikwijls gaat, de rijkdom verstokte hun hart. De menschen te Westenschouwen waren al sedert lang niet meer de eenvoudige lieden van voorheen. Ze werden hoovaardig. En hardvochtig. Ze begonnen schitterende huizen te bouwen maar de arme behoeftigen vergaten ze. Ze schaften zich kostbare kleederen aan en zagen met onbewogen hart toe, wanneer hun medemensch naakt liep.
Ook waren ze niet meer de onvervaarde stoere werkers van voorheen. De weelde had hun armen slap gemaakt en hun blik dof. Waar vroeger stoute ondernemingsgeest was heerschte nu de zucht om te teren op de reeds verworven overvloed. Waarom hebben wij schatten en rijkdommen, zeiden die van Westenschouwen als het niet is om er van te genieten? Waarom zouden we het vette der aarde niet proeven?
Zoo verslapten die van Westenschouwen meer en meer. En hun hart verstokte.
Op een keer nu gebeurde het dat visschers van Westenschouwen een vreemde vangst deden. Het net was zoo zwaar dat de mannen het bijna niet binnen boord konden halen. Ze trokken en trokken en verheugden zich al in de klaarblijkelijk zoo rijke vangst. Maar toen ze zoo ver waren dat ze konden zien wat zich in het net bevond .... wie beschrijft hun verbazing .... want inplaats van zilverig glinsterende haring of donkerbruin gespikkelde bot en schol zat een schoone zeemeermin in de mazen van het net verward. Ze spartelde, en kronkelde zich in allerlei bochten om los te komen en ze sloeg met haar schitterende visschestaart het water van de Schelde maar ach! ze was machteloos. Het sterke verraderlijke net slingerde zich om haar armen en om haar hoofd, verlamde de slagen van haar staart, maakte de bewegingen van haar sierlijke slanke armen machteloos, hield haar schoone krachtige lichaam in bedwang, kortom, hield haar gevangen.
Ha! riepen de visschers van Westenschouwen, ha! zie eens wat we gevangen hebben! Een schoone zeemeermin. Laat ons haar binnen boord halen en haar naar de stad voeren! We zullen de menschen in de stad eens wat wonderlijks te zien geven. Men zal ons zeker goed betalen voor het bijzondere schouwspel. Komt mannen, helpt een handje! Haalt het net binnen! Komt! Met vereende krachten!
En de gevangen zeemeermin, die in haar doodsangst met haar armen sloeg en probeerde de mazen van het net te verscheuren, die met haar krachtige groenglanzende staart het water geeselde, smeekte de visschers van Westenschouwen haar toch vrij te laten. Haar te verlossen uit de verwarring van het net en haar terug in het water te laten duiken.
Maar de visschers van Westenschouwen deden of ze de smeekbeden van de zeemeermin niet verstonden.
Wat ging het hen aan? Medelijden kenden ze nu eenmaal niet. Daarvoor waren ze te trotsch en te hoovaardig. Ze letten niet eens op het geschrei van de meermin, gaven haar niet eens antwoord en haalden haar binnen boord en wendden de steven.
Maar daar klonk van uit zee dezelfde smeekbede.
Visschers van Westenschouwen, laat haar toch gaan? Wat hebt ge aan een arme zeemeermin? Ze kan immers buiten het water niet leven. Bij u moet ze sterven! O, visschers van Westenschouwen, laat haar toch vrij!
Ha! lachten de visschers van Westenschouwen, ha! hoor eens! Dat is zeker haar man die zoo schreeuwt en grient!
En zoo was het.
Dicht bij de visschersboot zwom de meerman. De meerman met het kleine kindje.
Het kleine kindje hield hij in de armen.
Dat strekte zijn armpjes uit naar zijn moeder en het schreide zachtjes.
Maar de visschers van Westenschouwen werden er niet door bewogen.
Wat ging het hen aan? Wat hadden zij met het kindje van de zeemeermin te maken? En wat deed hen de smart van de meerman die met forsche slagen meezwom, langszij van het schip dat naar de haven terugkeerde?
Ha! riepen de visschers elkander overmoedig toe, ha! het is haar man! Zie, hij heeft haar kind in de armen! Ha, wat hij zwemmen kan!
En luid schalde hun brutale lach over de wateren van de Schelde.
Nee, zij waren niet van plan de zeemeermin los te laten. Waarom zouden ze dat doen? Ze wilden er hun plezier van hebben. De meerman moest zelf maar zien hoe hij uitkwam met zijn smart. Dat was een ding dat hen niet aanging. Zij wilden hun plezier aan hun vangst beleven. Met iets anders hadden zij niet te maken. Waren ze niet de trotsche hoogmoedige visschers van Westenschouwen?
En gedurende de geheele tocht, terug naar de haven, zwom de meerman met het kindje in zijn armen naast het schip. Hij dook onder en kwam weer boven en herhaaldelijk smeekte hij: Laat haar toch vrij! Zie dan toch dat ze sterft! Zie dan toch dat ze naar het water smacht. Wat de lucht is voor u, is het water voor ons. Visschers, visschers, laar haar toch vrij!!!
Maar de vischers van Westenschouwen haalden slechts hun schouders op. En ze lachten hoonend. Wat ging hen de nood van anderen aan?
En vlak bij de haven smeekte de meerman nog een laatste maal.
Zie, ze sterft, laat haar vrij! Geef haar mij terug!
En als om kracht bij te zetten aan zijn smeekbede hief hij het kleine meerkindje hoog uit boven de golven.
Geef haar ons terug!
Doch de visschers van Westenschouwen lachten slechts.
Wat ging hen de nood van anderen aan?
Maar toen dook de meerman naar de diepte van de zee.
Hij bleef lang onder, heel lang, en toen hij boven kwam was hij bedekt met kroos en met lange slingers wier. Zijn handen had hij tot vuisten geknepen en toen hij ze opende bleek het dat hij handen vol zand opgedoken had.
Langzaam liet hij het opgedoken zand in het water vervloeien, het kroos en het wier hief hij hoog boven de golven en met een schrikkelijke stem vloekte hij:
"Westenschouwen!
't zal u berouwen,
dat ge genomen hebt mijn vrouwe.
Westenschouwen zal vergaan.
Alleen de toren zal blijven staan."
Daarop dook hij onder met zijn kindje en niemand heeft hem ooit weer teruggezien.
Maar van die tijd af begon de haven te verzanden. Wier en zand deden hun langzame werk.
Voor de haven groeide een bank waardoor het voor de schepen onmogelijk werd in en uit te varen.
En toen de handel reeds lang lam lag in Westenschouwen en de visscherij vervallen, heeft de zee de eens zoo trotsche stad in een enkele nacht verzwolgen.
Er is van Westenschouwen sedert lang niets meer over dan de herinnering.
Nu klotsen de golven waar eens de hardvochtige visschers, wien de nood van anderen niets aanging, leefden en streefden.
Ja, het is met Westenschouwen gegaan zooals het gaan moest.
Beschrijving
De vissers van Westenschouwen vingen op een dag een zeemeermin. Zij smeekte om weer terug in het water te worden gelaten, daar meerminnen zonder water niet leven kunnen. Maar de vissers waren door hun rijkdom hoogmoedig geworden en hadden daardoor geen gevoel meer in hun donder en weigerden de meermin vrij te laten. Ook nadat een meerman met zijn meerkind uit de golven kwam en smeekte de zeemeermin los te laten deed de vissers helemaal niets. Toen er geen redden aan meer was heeft de meerman een vloek uitgesproken. De vloek kwam uit en Westenschouwen is uiteindelijk verzwolgen door de zee.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 69-72.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Rijnse   
Naam Locatie in Tekst
Westenschouwen   
Rijn   
Schelde   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
