Hoofdtekst
IA: Welkom allemaal. Kan er iemand hier Chinees? Nee, niemand kent er Chinees? Nou, dan ga ik je vandaag iets leren in het Chinees 'hallo' te zeggen. Doe eens je handen bij elkaar?! Dan zeg je: 'Ni hou' [fonetische schrijfwijze]
[Publiek]: Ni hou!
IA: Ni hou allemaal. Welkom.
Heel lang geleden, in een tijd voor mijn tijd en voor jouw tijd, in een tijd voor onze over-over-over grootouders, woonde er een keizer. De keizer van China. En de keizer van China woonde in een prachtig paleis. Het was helemaal gemaakt van porselein. De vloeren, de [? onverstaanbaar], de muren, de deuren en de vensterbanken waren allemaal van porselien gemaakt. En de tuinen van de keizer van China was [waren] nog schitterender. Daar groeiden en bloeiden de meest exotische bloemen en planten. En overal waren er kleine fonteintjes en beelden in de tuin. En de tuinman die had om alle mooiste bloempjes hele kleine bolletjes gebonden. Dus als je in de tuin van de keizer liep dan hoorde je een soort van klokkenspel. Dat was prachtig. En als je dan door liep door de tuin van de keizer, dan kwam je bij een bos. En het bos, daar waren hele hoge bomen en hele diepe meren. En het bos dat was zo groot, dat liep helemaal tot aan de zee en daar, waar het bos en de zee samen kwamen, daar stond een heel [hele] mooie[e] hoge boom. En die hele hoge boom, daar woonde de nachtegaal. En de nachtegaal die kon zo mooi zingen, het was net alsof er een veertje over je wangen streek [lastig te verstaan], die zong zo mooi, het was net alsof je in de armen van je moeder lag als babytje. Die zong zo mooi, je werd helemaal van top tot teen met warmte gevuld, als je het gezang van de nachtegaal hoorde. En heel veel mensen kwamen naar China om al dat prachtigs te zien: het hele mooie paleis van de keizer, de prachtige tuin. Maar ze zeiden altijd dat het allermooiste in het keizerrijk van China ... was toch de nachtegaal. En de mensen ... als er hele mooie dingen zijn ... gaan altijd boeken schrijven over mooie dingen. Weet je toch? En dichters gaan versjes schrijven ennuh, ennuh de zangers gaan liedjes schrijven. En een zo'n heel mooi boek over China kwam er terecht bij de keizer. En hij ging zitten op z'n troon, z'n grote troon, en hij begon het boek te lezen. En ja hoor, daar stond het over z'n paleis. Hoe prachtig het was. En hij knikte, want hij was erg trots op z'n paleis. En ja hoor, daar stond het hoor, over z'n prachtige tuinen met al die klokjes. En hij knikte want hij was erg trots op z'n tuin. Maar wat stond er daar? [schrikgeluid] Het allermooiste van het keizerrijk van China is de nachtegaal. 'Wat,' zei de keizer, 'wat is een nachtegaal? Ik heb nog nooit van een nachtegaal gehoord!' En hij riep z'n hofmaarschalk die meteen aan kwam hollen. En hij vroeg de hofmaarschalk, hij zei: 'Heb jij wel eens van de nachtegaal gehoord?' En de hofmaarschalk zei: 'Ik heb nooit van de nachtegaal gehoord.' 'Nou, hoe kan dat nou,' zei de keizer, 'dat er in mijn rijk iets is wat ik zelf niet ken?!' En hij stond er op dat de hofmaarschalk diezelfde avond de nachtegaal naar het hof bracht om een concert te geven. Dus de hofmaarschalk, ja hij wist niet echt waar hij moest zoeken. Hij vroeg het aan iedereen die hij tegen kwam in de gangen. Hij liep de gangen op en af ... wie waar ... wie wist er waar de nachtegaal was.
[Vragend aan het publiek]: Zeg, weet jij waar de nachtegaal woont?
[kind in publiek]: In het bos.
IA: In het bos. Maar weet je precies waar ... kun je me er naar toe brengen misschien?
[kind in publiek]: Nou gewoon ....
IA: Nou gewoon ... is het het bos door, helemaal tot het einde? Weet jij waar de nachtegaal woont? Ik moet, ik moet iemand vinden die mij naar het bos kan brengen, die precies weet in welke boom de nachtegaal woont.
[kind 2 in publiek]: Moet dat echt?
IA: Dat moet echt. Want de hofmaarschalk moet diezelfde avond nog, moest hij de nachtegaal een concert laten geven. [...]
In het verhaal kwam de hofmaarschalk een klein meisje tegen, zij was het keukenmeisje en zij zei: 'Ik weet waar de nachtegaal woont. Elke avond als ik klaar ben met eten, als ik klaar ben met werken, heb ik nog eten over. En dat breng ik naar mijn, mijn moeder...die woont aan het strand. Als ik dan klaar ben dan ga ik even zitten in het bos en daar zingt de nachtegaal in een boom. Ik breng u d'r wel, wel naar toe,' zei ze. Dus de hofmaarschalk en het meisje liepen het bos door. En ze waren zo halverwege het bos door toen ze ineens een koe hoorden loeien. Kan er iemand een koe nadoen?
[kind 3 in publiek]: Muuh!
IA: Zo! Goeie koe! En de hofmaarschalk die hoorde dat en omdat hij niet vaak het paleis uit kwam dacht hij dat dat de nachtegaal was. 'Oh,' zei-ie, 'wat prachtig. Wat een kracht heeft dat beestje!' 'Maar, ' zei het meisje [...], 'nee, dat is een koe.' En ze liepen wat verder en toen hoorden ze wat kikkers kwaken, in de rivier. Kan iemand kikkers nadoen? Hoor ik kikkers? Wat hoor ik?
[ouder uit publiek}: Kwek, kwek.
IA: Wat [voor?] kikkertjes hoorde hij daar in de rivier, heel ver ... en hij dacht dat dat de nachtegaal was. 'Oh, wat prachtig,' zei de hofmaarschalk. 'Wat prachtig, het lijken wel kleine klokjes.' 'Nee,' zei het sterke[?] meisje, 'dat zijn de kikkers'. En toen liepen ze weer verder door tot ze aan het strand kwamen, en daar hoog in de boom bleef het meisje. 'Ssht, kijk!' En de hofmaarschalk zag daar de nachtegaal zitten. En de nachtegaal zong. Maar toen hij de nachtegaal zag, zei hij: 'Ik had 'm toch eigenlijk wel iets mooier verwacht. Hij is niet erg mooi. Een beetje bruin, een beetje ordinair.' Maar hij moest toegeven dat het gezang van de nachtegaal erg mooi was. En toen de nachtegaal klaar was toen riep het meisje: 'Nachtegaal, nachtegaal, de keizer wil dat je vanavond een concert komt geven aan het hof!' En de nachtegaal glimlachte en zei: 'Waarom komt de keizer niet hier in het bos luisteren, want het klinkt veel mooier in het groen.' 'Nee,' zei de hofmaarschalk, 'de keizer komt z'n paleis niet uit, je moet mee!' En toen ging het vogeltje mee. Want het was niet heel erg moeilijk hoor om de nachtegaal over te halen om voor de keizer te zingen, want hij wilde het heel graag. En toen hij aankwam op het paleis, toen hadden ze alles tot in de puntjes verzorgd. Het was er helemaal versierd. En overal stonden de mensen in hun prachtigste kleren. En daarvoor, de troon van de keizer, was een klein gouden stoeltje. En daar ging de nachtegaal op zitten. En hij ademde in en hij deed z'n snaveltje open en hij zong een lied voor de keizer. En het lied was zo mooi dat de mensen gewoon uit liefde tegen elkaar aan gingen leunen. Het was zo mooi dat ze allemaal van top tot teen [deel onverstaanbaar], het was zo mooi dat de keizer zelf tranen in z'n ogen kreeg. En toen het vogeltje klaar was, zei de keizer: 'Nachtegaal, dat was het allermooiste dat ik ooit heb gehoord. Hoe kan ik je bedanken?' Toen zei de nachtegaal: 'Majesteit, ik heb tranen in uw ogen gezien, dat is voor mij al beloning genoeg. Maar nu moet ik weer gaan naar mijn huis in het bos, want daar woon ik.' 'Gaan?', zei de keizer, 'je mag niet gaan; je moet hier voor me blijven zingen.' En toen de keizer die woorden uitsprak was het net of alle deuren en alle ramen in het paleis vanzelf dichtgingen. En tien van de dienaren van de keizer sprongen op het vogeltje en ze deden 'm in een gouden kooi en ze deden het deurtje dicht. En vanaf die dag moest de nachtegaal iedere ochtend en iedere avond voor de keizer zingen. Hij mocht twee keer per dag naar buiten, maar dan wel aan palen [?] gebonden, [?]vastgehouden door twaalf dienaren. Want hij zong z'n lied[?], want hij was een nachtegaal. Het was in z'n aard om te zingen. Maar, denk je dat het een vrolijk lied is wat hij zong? Nee, want hij miste het bos heel erg. En zo ging de tijd voorbij, tot er op een dag een pakje kwam voor de keizer. En de keizer was heel erg blij, want hij hield er erg van pakjes te krijgen. Hij dacht: 'Het is vast zo'n heel mooi boek over mijn keizerrijk. Misschien is het wel zo'n mooi boek over mijn nachtegaal.' Maar het was geen mooi boek. In het pakje zat er een namaakvogel. Een kunstvogel. Heel erg mooi, heel mooi gekleurd. Veel mooier gekleurd dan de nachtegaal. En iedereen kwam om 'm heen staan aan het hof van de keizer. En toen wond de keizer ... het vogeltje op.[vertelster draait aan een muziekdoos. Een vogelgeluid klinkt].
En het vogeltje zong een lied. En de mensen op het hof vonden het prachtig, ze klappen allemaal. [vertelster klapt in de handen] 'Bravo, bravo, bravo! Nog een keer!' En toen wond de keizer 'm nog een keer, het vogeltje op. En het vogeltje zong nog een keer hetzelfde lied. En ze kregen er maar geen genoeg van. Dus iedere keer wond de keizer het vogeltje op en aan het einde van het lied, klappen ze allemaal: 'Prachtig, prachtig, prachtig!' [vertelster klapt in de handen] Het maakte ze niks uit dat het iedere keer hetzelfde liedje was. Maar na 33 keer zei de keizer: "Ik wil eigenlijk de echte nachtegaal horen." En toen moe[s]ten zijn dienaren de echte nachtegaal gaan halen. Maar toen ze 'm brachten in die mooie gouden kooi, toen lag-ie heel stilletjes op de vloer van de kooi. En de keizer dacht dat de nachtegaal dood was gegaan, dus hij deed het kooitje open. En op dat moment sprong het vogeltje op en vloog uit het raam. 'Ach,' zeiden de mensen op het hof, 'wat een ondankbaar dier. We hebben zo goed voor 'm gezorgd hier, en hij vliegt meteen het raam uit zodra-ie kan. Maar [...] dat maakt niet uit hoor, want wij hebben hier een prachtige kunstvogel." En opnieuw wond hij het vogeltje op. En opnieuw zong het vogeltje hetzelfde liedje. En aan het einde van het liedje klapten ze allemaal: "Prachtig, prachtig, prachtig!" [klapgeluid] Alleen de keizer, die was niet zo blij, want die hoorde veel liever het gezang van de nachtegaal. Maar die was weg. Dus nu wond hij iedere ochtend, iedere avond, de kunstvogel op. En dan deed hij z'n ogen dicht, want hij wilde niks doen dan [te luisteren naar?] het gezang van de echte nachtegaal. En op een dag gebeurde er iets vreselijks. Hij wond de nachtegaal op, en halverwege het liedje van de nachtegaal, knapte er iets van binnen. En ineens hoorde je alleen maar: 'grrrrrrrrr.' De keizerlijke klokkenmaker werd er bij gehaald, het vogeltje werd helemaal uit elkaar gehaald. En van binnen was het alleen maar boutjes en moertjes. En de keizerlijke klokkenmaker zei: 'Hier is niks meer aan te doen. Er zit helemaal geen leven meer in!' En hij zette het weer in elkaar en [deel onverstaanbaar], maar er kwam geen geluid meer uit. En vanaf die dag ging het heel slecht met de keizer. Nu had hij niet meer de echte nachtegaal, hij had niet meer [de] kunstvogel, en hij werd zieker en zieker. Hij hield op met eten. En op een dag kwam hij z'n bed zelfs niet meer uit. En toen begonnen de mensen te praten: 'Weet je, de keizer gaat dood. Weet je, de keizer gaat dood. He, de keizer gaat dood.' En zo kwam het dat iedereen geloofde dat de keizer dood ging. Zo erg zelfs dat ze al een opvolger voor 'm gevonden hadden. En op een avond lag de keizer heel zwak[?] in z'n bed en hij voelde zelf ook dat het niet zo goed met 'm ging. En hij keek naar het open raam en hij dacht bij zichzelf: 'Wat zou ik nu toch heel graag nog een keer het gezang van de echte nachtegaal horen!' Maar bij het raam gebeurde er niets, alleen achter 'm ging er een deur open. En een man met een lang, dun gezicht die kwam binnen en die ging zitten op het bed naast de keizer. En dat was de Dood. En die pakte de kroon van het hoofd van de keizer en die deed 't op z'n eigen hoofd. Toen keek hij naar de keizer en zei: 'Majesteit, het is tijd, heeft u nog een laatste wens?' En toen zei de keizer: 'Mijn laatste wens is dat ik nog een keer in mijn leven het gezang van de echte nachtegaal mag horen.' En op dat moment vloog het vogeltje de kamer in en die ging zitten op de vensterbank en die deed z'n snaveltje open en die begon te zingen. Het gezang van de nachtegaal. En toen de keizer dat hoorde, kwam er meteen weer kleur op z'n wangen. En de Dood die vond het liedje zo mooi. Dat toen het over was, zei hij: 'Nog een keer, ik wil nog een keer.' En de nachtegaal zei: 'Ik wil nog wel een keer zingen, maar dan moet u wel de kroon van de keizer aan 'm teruggeven.' Toen gaf de Dood de kroon van de keizer terug aan de keizer. En toen zong de nachtegaal opnieuw een lied. En dit keer ging de keizer rechtop in bed zitten. En toen de Dood dat zag, toen wist hij dat het niet de tijd was voor de keizer om te gaan. En toen is hij heel stilletjes de deur uit geslopen. Toen het liedje van de nachtegaal over was toen zei de keizer tegen de nachtegaal: "Nachtegaal, je hebt m'n leven gered, hoe kan ik je belonen?' En de nachtegaal zei: 'Uwe majesteit, ik heb tranen in uw ogen gezien. Dat is voor mij al, al beloning genoeg. Want ik wil heel graag voor u zingen als u mij belooft dat u mij nooit meer in een kooi stopt en nooit meer aan twaalf linten zult binden.' En de keizer zei: 'Je mag hier komen en gaan zoals je wilt op het paleis.' Toen zei de nachtegaal: 'Dan beloof ik dat ik terugkwam[kom].' Toen zong hij nog een lied en toen ging de keizer slapen. En toen de keizer wakker werd was het ochtend en al zijn dienaren stonden bij de deur, want ze waren er van overtuigd dat hij die nacht dood was gegaan. Je kunt je voorstellen hoe verbaasd ze waren toen ze de kamer inslopen. En daar stond hij: helemaal gekleed in z'n mooiste kleren, met blosjes op z'n wangen. En er werd een heel groot feest gevierd, want de keizer leefde. Er werd een feest gevierd van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Toen de keizer die avond naar bed ging en z'n keizerlijke pyama had aangetrokken en onder z'n keizerlijke laken lag, toen keek hij naar het open raam. En de keizer had naast zijn bed, een klein lantaarntje [verstelster laat een oranje Chinees lantaarntje zien, vastgemaakt aan een stokje]. En als het tijd is om naar bed te gaan, wat doe je altijd als het tijd is om naar bed te gaan? Dan doe je het licht uit he! Hij deed z'n lichtje uit en hij keek naar het raam en daar zag hij het silhout van de nachtegaal. En die begon te zingen. En ze zeggen dat vanaf die dag iedere avond de nachtegaal een slaapliedje zong voor de keizer. En het kan heel goed dat het een beetje zo klonk [vertelster laat geluid van een nachtegaal horen, op band].
Dat is het gezang van een echte nachtegaal.
[kind uit de zaal]: Is dat opgenomen?
IA: Ja, opgenomen. De echte nachtegaal is opgenomen, dat kun je horen. Nou ik hoop dat jullie van het verhaal genoten [hebben], en ik hoop dat jullie eigen slaapliedjes net zo mooi klinken. Dank je wel.
[publiek applaudisseert]
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Andersen   
Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement   
Satan   
Chinese Nachtegaal   
Inez Aponte   
Chinees   
Naam Locatie in Tekst
Utrecht   
Nederland   
China   
Engeland   
