Hoofdtekst
No. 215. Thomas van Cantimpré vertelt ons het schoone exempel van het Kindeke Jezus in de sneeuw. "Daer was een monic vander oerde Cisterciën, vol barmherticheiden..... In enen wijnter, doe al dat lant van Brabant overbeleit was mit snee, quam die monic alleen riden over enen camp buten weges, ende hi had sinen knecht voer gesent int dorp, ende sich, hi vant een kijndekijn van alte schoenre gedaente, dat van drien iaren scheen te wesen, mit groten hulen ende screyen alleen sitten inden couden snee. Hierom had hi medeliden mitten schonen kijnde. Hi sat of vanden peerde ende omhelsede dat screyende kijnt ende began mit hem te screyen ende vraechde, wat hem lette. Doe dat kijndekijn zweech, zuchte hi ende vraechde hem anderwerve; "Waer is dijn moeder? Hebstu dijn moeder verloren?" Tot sinen vragen began dat kijnt noch herteliker te screyen, ende ten lesten seidet: "Och my, och mi, waer om en oude ik niet screyen, waer om en soude ic niet wenen! Siestu niet, dat ic arme hier alleen sitte inden couden snee, ende het en is nyemant, die mi herbergen wil?" Rechtevoert stont die monic op ende buerde dat kijndekijn vander eerden, ende helsedet ende cussedet ende seide: "Alre liefste kijnt, en wilt nie screyen, want ic wil di dragen totter herberge ende laten dit opvoeden." Doe hi dit geseit had, woude hi mitten kijnde op dat peert sitten, ende dat kijnt spranc haestelic uut sinen armen ende wert niet meer gesien, want dat was Christus, der heiligen ioncfrouwen Mariën zoen. Hier om viel die monic op der eerden en began zeer hertelic te screyen ende te wenen, ende doe hi lange al wenende gelegen had, wert hi van sinen knecht gesocht ende ten lesten gevonden. Hi wert gebuert op dat peert ende in die herberge gebrocht, ende doe men hem vraechde, waer om dat hi screyede, en konde hi in enen helen nacht anders niet seggen dan: "Och mi, goede kijnt, alre schoenste kijnt, waer om hebste mi gelaten, waer om bistu so geringe van mi gescheiden, hoe heb ic die verloren!" Hier na, doe die monic troest ontfangen had, vertelde hi enen mensche dit myrakel, ende die seidet den genen, daer icket van gehoert heb."
Beschrijving
Een monnik rijdt in de winter op zijn paard door Brabant. Hij hoort een kindje huilen en vraagt wat er aan de hand is. Het kindje wil niet stoppen met huilen en zegt dat niemand om hem geeft. De monnik zegt dat hij voor hem zal zorgen en dat ze samen naar de herberg gaan. Als de monnik het jongetje op zijn paard wil zetten, springt hij ineens weg en is verdwenen. De monnik is helemaal in tranen, maar het bleek Christus te zijn.
Bron
Noord-Brabantsch Sagenboek/ J. R. W. Sinninghe. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie. - [1933], p. 155-156.
Commentaar
[1933]
Valt onder hoofdstuk en titel(s): III. Legenden of Christelijke Sagen; 1. Ons' Heere Legenden; a. Het Kindeke Jezus.
Bron:
Van der Vet, Biënboec, 109 vlg.
Bron:
Van der Vet, Biënboec, 109 vlg.
Naam Overig in Tekst
Thomas van Cantimpré   
Maria   
Christus   
Cisterciën   
Jezus   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
