Hoofdtekst
Het nachtveer
De meeuw sliep op de duinen, gedoken in heur dons.
De sluimerende branding verried slechts dof gegons.
Van uit de verste dalen weerklonk des steenuils klacht
Door 't tasbre nevelduister: 't was 't uur van middernacht.
En aan de donkere helling van 't stil en eenzaam duin
Verhief een planken stulpjen een nederige kruin.
Daar rustte visscher Aescwin van 't moeizaam dagwerk uit;
Daar rustte jeugdige Aescwin, en droomde van zij bruid.
De zwarte nachtraaf kraste: 't was 't uur van middernacht.
Toen dreunde er aan het venster een kloppen, wonder zacht.
Een huivering doortrilde den kloeken zoon der zee
Te midden van zijn droomen, wier schijnbeeld hem ontglee.
Hij huiverde, en ontwaakte, en zuchtte: "Thans reeds weer!"
Maar sprong gehaast van 't stroobed, en liet zijn venster neer.
De maan school in de wolken, 't was buiten donkre nacht,
En 't gonzen van de branding ruischte als een doodenklacht.
Hij trad in somber zwijgen naar 't stil en eenzaam strand.
De golfslag droeg er wieglend een vreemde kaan op 't zand
De golfslag spoelde fluistrend het vreemde vaartuig om.
't Was of de donkere zee-plasch gedurig hooger klom.
En dieper zond, al dieper, het vaartuig in de vloed,
Als werd het zwaar geladen door ongezienen stoet.
En dieper zonk, al dieper, het vaartuig in den plasch.
Tot dat het boven 't golfbed ter nood verheven was.
Toen blies een ijskoude adem den veerman zwijgend aan.
En hij verstond het teeken, en greep de dubble spaan.
Een hoorbaar, drukkend zwijgen omzweefde 't holle boord;
Maar lichtsnel gleed het vaartuig door 't gladde zeebed voort.
't Gewelf was zwart en donker; de zee gaf geen geluid;
Het was als blies er 't koeltjen den laatsten adem uit.
Maar lichtsneel sneed het vaartuig door 't gladde zeebed voort.
En hoorbaar, drukkend zwijgen omzweefde 't holle boord.
Bij wijlen brak het maanlicht door 't zwart gewolkte heen,
Maar straalde in 't vreemde vaartuig op Aescwin slechts alleen.
En niets dan 't vreemde vaartuig, dat door het golfbed snee,
Werd in den nacht vernomen op 't grensloos vlak der zee.
Ter middernachtlijke ure toen stak hij af van 't strand,
En naauw een stonde later stiet hij op d'overkant.
Hij hoorde een momlend ruischen, dat zwevend hem omgaf;
Hij hoorde hol gefluister, als las men er namen af.
Hij hoorde er verre en vreemde, van onbekenden stam;
Hij hoorde er, die zijn bezem met stil gezucht vernam.
En 't vaartuig rees al hooger, al hooger op den vloed,
Alsof het werd verlaten door ongezienen stoet.
Te midden van die namen, in de eenzaamheid der nacht
Van ongeziene lippen al murmlend voortgebracht,
Daar hoort hij met een rillig, die 't bloed in de aadren stuit,
Den naam van Elva Béowulf, zijn zielsgeliefde bruid.
Hij zonk in 't vaartuig neder, dat heendreef op den plasch:
Hij wist nu dat zijn Eva dien nacht gestorven was.
Hij raakte aan spaan nog riemen; toch sneed de lichte kaan
Als op de wiek des stormwinds door effen waterbaan.
Hij trad met d'uchtendschemer zijn Elvaas woning in
Hij vond heur vader schreiend, en jam'rend heel 't gezin:
Zij lag zo vast te slapen, zijn schoone jonge bruid,
Maar zou niet meer ontwaken: zij was den dood ter buit.
En in den duistren schemer der nieuwe middernacht
Toen voer een andre veerman de onzichtbre geestenvracht.
En toen hij gints weer afstak met ingehouden aâm
Toen hoorde hij in 't momlen des jongen Aescwins naam.
Uit: Kennemerland, Balladen, 2e dr. blz. 317. Hofdijk
"Procopius (een schrijver der zesde eeuw) verhaalt, uit den mond der inwoners, dat aan den oever der zee, tegenover het eiland Brittia, een volk van visschers en akkerlieden woonde, dat den Franken onderworpen was, maar hun gene schatting betaalde, daar het tot eene geheel bijzondere dienst verpligt was. Het moest namelijk de zielen der afgestorvenen naar Brittia over schepen. Elk, wiens beurt het was, begaf zich met de avondschmring ter ruste. Om middernacht wordt aan zijn deur geklopt en zachtkens geroepen. Dan gaat hij dadelijk naar het strand, waar hij ledige booten vindt, die hem niet toe behooren; hij grijpt de riemen en steekt in zee. Dan merkt hij dat de boot stampvol is, en naauw een vinger breed boord heeft, maar ziet niemand, Binnen een uur is de overtogt volbragt, schoon men er anders een etmaal toe noodig heeft. In Brittia aangekomen, ontlaadt zich de boot vanzelf en wordt zooo licht als een veder. Zij zien nu ook weder niets, maar hooren een stem, die den naam der overgescheepten, huns vaders, en zoo er vrouwen bij zijn, dien haars mans opgeeft.
Dit is eene overoude en ver bekende sage, die, zooals Procopius getuigt, in zijnen tijd nog onder het volk der Noordzeekusten voortleefde."
v.d. Bergh
De meeuw sliep op de duinen, gedoken in heur dons.
De sluimerende branding verried slechts dof gegons.
Van uit de verste dalen weerklonk des steenuils klacht
Door 't tasbre nevelduister: 't was 't uur van middernacht.
En aan de donkere helling van 't stil en eenzaam duin
Verhief een planken stulpjen een nederige kruin.
Daar rustte visscher Aescwin van 't moeizaam dagwerk uit;
Daar rustte jeugdige Aescwin, en droomde van zij bruid.
De zwarte nachtraaf kraste: 't was 't uur van middernacht.
Toen dreunde er aan het venster een kloppen, wonder zacht.
Een huivering doortrilde den kloeken zoon der zee
Te midden van zijn droomen, wier schijnbeeld hem ontglee.
Hij huiverde, en ontwaakte, en zuchtte: "Thans reeds weer!"
Maar sprong gehaast van 't stroobed, en liet zijn venster neer.
De maan school in de wolken, 't was buiten donkre nacht,
En 't gonzen van de branding ruischte als een doodenklacht.
Hij trad in somber zwijgen naar 't stil en eenzaam strand.
De golfslag droeg er wieglend een vreemde kaan op 't zand
De golfslag spoelde fluistrend het vreemde vaartuig om.
't Was of de donkere zee-plasch gedurig hooger klom.
En dieper zond, al dieper, het vaartuig in de vloed,
Als werd het zwaar geladen door ongezienen stoet.
En dieper zonk, al dieper, het vaartuig in den plasch.
Tot dat het boven 't golfbed ter nood verheven was.
Toen blies een ijskoude adem den veerman zwijgend aan.
En hij verstond het teeken, en greep de dubble spaan.
Een hoorbaar, drukkend zwijgen omzweefde 't holle boord;
Maar lichtsnel gleed het vaartuig door 't gladde zeebed voort.
't Gewelf was zwart en donker; de zee gaf geen geluid;
Het was als blies er 't koeltjen den laatsten adem uit.
Maar lichtsneel sneed het vaartuig door 't gladde zeebed voort.
En hoorbaar, drukkend zwijgen omzweefde 't holle boord.
Bij wijlen brak het maanlicht door 't zwart gewolkte heen,
Maar straalde in 't vreemde vaartuig op Aescwin slechts alleen.
En niets dan 't vreemde vaartuig, dat door het golfbed snee,
Werd in den nacht vernomen op 't grensloos vlak der zee.
Ter middernachtlijke ure toen stak hij af van 't strand,
En naauw een stonde later stiet hij op d'overkant.
Hij hoorde een momlend ruischen, dat zwevend hem omgaf;
Hij hoorde hol gefluister, als las men er namen af.
Hij hoorde er verre en vreemde, van onbekenden stam;
Hij hoorde er, die zijn bezem met stil gezucht vernam.
En 't vaartuig rees al hooger, al hooger op den vloed,
Alsof het werd verlaten door ongezienen stoet.
Te midden van die namen, in de eenzaamheid der nacht
Van ongeziene lippen al murmlend voortgebracht,
Daar hoort hij met een rillig, die 't bloed in de aadren stuit,
Den naam van Elva Béowulf, zijn zielsgeliefde bruid.
Hij zonk in 't vaartuig neder, dat heendreef op den plasch:
Hij wist nu dat zijn Eva dien nacht gestorven was.
Hij raakte aan spaan nog riemen; toch sneed de lichte kaan
Als op de wiek des stormwinds door effen waterbaan.
Hij trad met d'uchtendschemer zijn Elvaas woning in
Hij vond heur vader schreiend, en jam'rend heel 't gezin:
Zij lag zo vast te slapen, zijn schoone jonge bruid,
Maar zou niet meer ontwaken: zij was den dood ter buit.
En in den duistren schemer der nieuwe middernacht
Toen voer een andre veerman de onzichtbre geestenvracht.
En toen hij gints weer afstak met ingehouden aâm
Toen hoorde hij in 't momlen des jongen Aescwins naam.
Uit: Kennemerland, Balladen, 2e dr. blz. 317. Hofdijk
"Procopius (een schrijver der zesde eeuw) verhaalt, uit den mond der inwoners, dat aan den oever der zee, tegenover het eiland Brittia, een volk van visschers en akkerlieden woonde, dat den Franken onderworpen was, maar hun gene schatting betaalde, daar het tot eene geheel bijzondere dienst verpligt was. Het moest namelijk de zielen der afgestorvenen naar Brittia over schepen. Elk, wiens beurt het was, begaf zich met de avondschmring ter ruste. Om middernacht wordt aan zijn deur geklopt en zachtkens geroepen. Dan gaat hij dadelijk naar het strand, waar hij ledige booten vindt, die hem niet toe behooren; hij grijpt de riemen en steekt in zee. Dan merkt hij dat de boot stampvol is, en naauw een vinger breed boord heeft, maar ziet niemand, Binnen een uur is de overtogt volbragt, schoon men er anders een etmaal toe noodig heeft. In Brittia aangekomen, ontlaadt zich de boot vanzelf en wordt zooo licht als een veder. Zij zien nu ook weder niets, maar hooren een stem, die den naam der overgescheepten, huns vaders, en zoo er vrouwen bij zijn, dien haars mans opgeeft.
Dit is eene overoude en ver bekende sage, die, zooals Procopius getuigt, in zijnen tijd nog onder het volk der Noordzeekusten voortleefde."
v.d. Bergh
Beschrijving
Het nachtveer. Een verhaal op rijm over vissers en landbouwers die geen belasting betaalden maar in plaats daarvan de zielen der afgestorvenen naar Brittia verscheepten.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 91-94.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Aescwin   
Elva Béowulf   
Eva   
Elvaas   
Procopius   
Brittia   
Noordzeekusten   
Naam Locatie in Tekst
Franken   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
