Hoofdtekst
Slot Kronenburg
De moordenaars van Floris V beraamden hun plannen om der Keerlen God te ontvoeren op slot Kronenburg en brachten hem daarheen.
Daarna zegt het lied van Geraert van Velsen:
"Hi wurp hem een handscoen voor syn mont,
Op dat hy niet en soude luyden.
Hy voerde hem vanuit huys te Kronenburg
Al op dat hooghe huys te Muyden."
Snachts omtrent de middernacht,
Omtrent ter halver nachte,
Doe lach die edele ,
Ghesloten in boeyen also vaste.
Smorgens doen het was schoon dach,
De Heren souden daer wat eten,
Doe dacht die Graef al van Hollant:
"Ryk Godt, nu ben ik al verraden.
En had ick een schiltknecht goet,
Die mij verloste van den bloede,
Ick sou hem schencken mijn bruyne schilt
Met mynen yzeren hoede."
Geraert van Velsen was rat ter hant.
Hy greep een becken van de want,
Hy wies Greaf Floris van den bloede.
"Segt my, o Graef al van Hollant, hoe is u nu te moede?"
"Hoe my nu te moede is:
En ick moet immers sterven.
Had icker een wijf met een kint,
Die ick myn groote goet mocht erven.
"Ick heb noch wel een soon, heer Jan,
Hy is soo ver in vreemde landt,
Hy kander syn goet regieren niet;
Dus leydt myn hert in groot verdriet.
En daar is mijn bastert soon *)
Hy is soo jonck van weken,
Al quam hy noch over hondert jaer,
Syns vaders doot sal hy wel wreken."
Een korte wijl en was daer niet lang,
Gheraert van Velsen wert daer ghevangen,
Hy dochte soo dick by syner eer,
"Rijck Godt, nu moet ik immers hangen."
Hangen en was hen noch niet goet ghenoech,
Hy moest wel sevenwef meer lijden.,
Sy deden een vat vol spijkers slaen,
Daer moest syn edeldom in zijghen. **)
Sy rolden hem daer drie daghen lanck,
Drie daghen voor den noene.
"Gheraert van Velsen, wel lieve man, hoe is het nu te moede?"
"Hoe my nu te moede is,
Dat sal ick u wel seggen:
Ick ben noch de selfde man
Die Graef Floris syn leven nam."
*) Witte van Haemstede
**) neerdalen
De overlevering wist te vertellen, dat de moordenaars de wijk namen naar slot Kronenburg, waar zij belegerd werden. Omstreeks Kerstmis gaven zij zich over. Een der gevangen edelen werd toen in een spijkervat gekuipt. Als een herinnering aan die gebeurtenis vond te Loenen elk jaar op den tweeden Kerstdag het Kolfslaan plaats. Eerst in 1830 werd dit oude volksgebruik afgeschaft. Acht kolvers, verdeeld in twee groepen, begonnen aan 't Rechthuis van Loenen den bal te slaan langs een bepaalden weg naar het slot Kronenburg, waar het op de keukendeur gemunt was. Wie er 't eerst zijn bal tegen sloeg was overwinnaar. De heer tracteerde dan de kolvers op bier en liet onder de kijkers appelen strooien. Van het Slot gingen de kolvers weer de Dorpsstraat door, met slag op slag, en de tweede werd gewonnen tegen de deur van den molen. De derde tegen de keukendeur van het Huis van Velde, waar men weer bier dronk en naar appelen grabbelde. De vierde en laatste partij werd ten slotte tegen de deur van het Rechthuis van Vreeland gewonnen. 's Avonds was er feest in de herberg, want voor de winst werd wijn geschonken. De weg, dien de kolvers gingen, zou dezelfde zijn, die Geraert van Velsen in zijn spijkervat aflegde.
De moordenaars van Floris V beraamden hun plannen om der Keerlen God te ontvoeren op slot Kronenburg en brachten hem daarheen.
Daarna zegt het lied van Geraert van Velsen:
"Hi wurp hem een handscoen voor syn mont,
Op dat hy niet en soude luyden.
Hy voerde hem vanuit huys te Kronenburg
Al op dat hooghe huys te Muyden."
Snachts omtrent de middernacht,
Omtrent ter halver nachte,
Doe lach die edele ,
Ghesloten in boeyen also vaste.
Smorgens doen het was schoon dach,
De Heren souden daer wat eten,
Doe dacht die Graef al van Hollant:
"Ryk Godt, nu ben ik al verraden.
En had ick een schiltknecht goet,
Die mij verloste van den bloede,
Ick sou hem schencken mijn bruyne schilt
Met mynen yzeren hoede."
Geraert van Velsen was rat ter hant.
Hy greep een becken van de want,
Hy wies Greaf Floris van den bloede.
"Segt my, o Graef al van Hollant, hoe is u nu te moede?"
"Hoe my nu te moede is:
En ick moet immers sterven.
Had icker een wijf met een kint,
Die ick myn groote goet mocht erven.
"Ick heb noch wel een soon, heer Jan,
Hy is soo ver in vreemde landt,
Hy kander syn goet regieren niet;
Dus leydt myn hert in groot verdriet.
En daar is mijn bastert soon *)
Hy is soo jonck van weken,
Al quam hy noch over hondert jaer,
Syns vaders doot sal hy wel wreken."
Een korte wijl en was daer niet lang,
Gheraert van Velsen wert daer ghevangen,
Hy dochte soo dick by syner eer,
"Rijck Godt, nu moet ik immers hangen."
Hangen en was hen noch niet goet ghenoech,
Hy moest wel sevenwef meer lijden.,
Sy deden een vat vol spijkers slaen,
Daer moest syn edeldom in zijghen. **)
Sy rolden hem daer drie daghen lanck,
Drie daghen voor den noene.
"Gheraert van Velsen, wel lieve man, hoe is het nu te moede?"
"Hoe my nu te moede is,
Dat sal ick u wel seggen:
Ick ben noch de selfde man
Die Graef Floris syn leven nam."
*) Witte van Haemstede
**) neerdalen
De overlevering wist te vertellen, dat de moordenaars de wijk namen naar slot Kronenburg, waar zij belegerd werden. Omstreeks Kerstmis gaven zij zich over. Een der gevangen edelen werd toen in een spijkervat gekuipt. Als een herinnering aan die gebeurtenis vond te Loenen elk jaar op den tweeden Kerstdag het Kolfslaan plaats. Eerst in 1830 werd dit oude volksgebruik afgeschaft. Acht kolvers, verdeeld in twee groepen, begonnen aan 't Rechthuis van Loenen den bal te slaan langs een bepaalden weg naar het slot Kronenburg, waar het op de keukendeur gemunt was. Wie er 't eerst zijn bal tegen sloeg was overwinnaar. De heer tracteerde dan de kolvers op bier en liet onder de kijkers appelen strooien. Van het Slot gingen de kolvers weer de Dorpsstraat door, met slag op slag, en de tweede werd gewonnen tegen de deur van den molen. De derde tegen de keukendeur van het Huis van Velde, waar men weer bier dronk en naar appelen grabbelde. De vierde en laatste partij werd ten slotte tegen de deur van het Rechthuis van Vreeland gewonnen. 's Avonds was er feest in de herberg, want voor de winst werd wijn geschonken. De weg, dien de kolvers gingen, zou dezelfde zijn, die Geraert van Velsen in zijn spijkervat aflegde.
Beschrijving
Heer Floris V wordt ontvoerd uit het slot en vermoord. Uiteindelijk worden de moordenaars gepakt.
Bron
Utrechtsch Sagenboek/ J. R. W. Sinninghe. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie (1938), p.20-22
Commentaar
1938
Valt onder hoofdstuk en titel(s): 1. Utrechts' Oude Gebouwen, b. Kasteelen, Huizen en Poorten. Bronnen: Gids 1899, II, blz,273-309.C v.d. Graft , Historieliederen, blz.48 vlg. ter Gouw, Volksvermaken, blz.432.
Aant.: Leiden betwist aan Loenen de eer dezer gebeurtenis, die nimmer heeft plaats gehad, al kan men haar afgebeeld vinden in het achtste hoofdstuk van Domselaers "Leven en daden der Heeren van Amstel".
Aant.: Leiden betwist aan Loenen de eer dezer gebeurtenis, die nimmer heeft plaats gehad, al kan men haar afgebeeld vinden in het achtste hoofdstuk van Domselaers "Leven en daden der Heeren van Amstel".
Naam Overig in Tekst
Slot Kronenburg   
Floris V   
Geraert van Velsen   
Muyden   
Graef al van Hollant   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
