Hoofdtekst
De eerste overstrooming, waarvan gewag wordt gemaakt in historische tijden, is die van 860. Het grootste gedeelte van het Sticht liep toen onder en de loop van den Rijn werd verlegd. Men zegt dat de golven, die over de duinen sloegen, tot aan de sterren reikten.
Bij den Allerheiligenvloed van 1170, waarbij 't meer Flevo zooveel grooter werd en 't land der Friezen in tweeen werd gesneden, sloeg het zeewater wederom over duinen en dijken. Heel Amstelland veranderde in een woeste zee en het water werd tot voor de wallen van Utrecht gedreven. Toen ving men daar kabeljauwen in de grachten, en de zeevisschen bleven met het zakken van het water in grooten getale op het droge achter.
Drie jaar later dreef weer een verschrikkelijke stormwind het zeewater landwaarts, terwijl de groote rivieren overstroomden door het smelten van de sneeuw in de bergen. Men vreesde, wegens het aanhouden van den Noord-Westenwind, voor een tweeden zondvloed; en was de wind niet na drie dagen gedraaid, dan was het met de stad Utrecht gedaan geweest. In Utrecht beschouwde men deze overstrooming als een straf wegens het stelen van H. Hosties.
Dertig jaar nadien doorstaken de Kennemers de dijken van den Amstel, die door de vele regens zeer gezwollen was. Ook de zeedijken hielden het niet; het water uit de Zuiderzee stond voorbij Breukelen en men voer met schuiten over land naar Utrecht.
Onderwerp
TM 2604 - Watersnood   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Sticht   
Allerheiligenvloed   
Flevo   
Friezen   
Noord-Westenwind   
H. Hosties   
Kennemers   
Naam Locatie in Tekst
Rijn   
Amstelland   
Utrecht   
Amstel   
Zuiderzee   
Breukelen   
