Hoofdtekst
Westenschouwen, ’t zal u rouwen
dat ge heeft geroofd mijn vrouwe,
Westenschouwen zal vergaan
alleen de toren zal blijven staan.
[einde statige stem]
Volgens de hele oude legende werd over deze streek ooit een vloek uitgesproken. Sindsdien zijn hier twee dorpen van de aardbodem verdwenen. Eén ervan was gebouw rondom [een toren?]. Ooit stonden hier huizen, liepen er mensen en dieren rond en renden er kinderen door de smalle donkere steegjes. Maar dit vredige tafereel werd opeens verstoord en het dorp hield op te bestaan. [zingende zeelieden op de achtergrond] Had dit mysterie misschien te maken met die oude, middeleeuwse legende? [zingende zeelieden: ’Als wij gaan zeilen op de hoogste wat’ren…’].
Lang geleden voer er een vissersboot uit de haven van het dorpje Westenschouwen. Het was een prachtige zomerdag en de vissers zongen uit volle borst [vissers zingen op achtergrond: ‘Elke storm zullen wij doorstaan.’] De vangst was goed en al snel werd het laatste net uit zee getrokken. [Zingend op achtergrond: ‘komen wij al in Batavia aan.’] Het net was ontzettend zwaar, maar de vissers konden niet goed zien wat ze hadden gevangen. Was het een stuk hout? Een gigantische vis? Een monster? Terwijl het dichter en dichter bij kwam, bleek het gevaarte armen, een hoofd en een hele grote staart te hebben. Het was helemaal geen vis, het was een zeemeermin. [snikkende vrouwenstem op achtergrond] Het mooie wezen zat met haar lange, groenblauwe haren wanhopig verstrengeld in het net. Over haar gezicht [harder huilende vrouwenstem] biggelden grote, zilte tranen. Haar man, die was achtergebleven in de zee, zwom in paniek rond de boot. Hij schreeuwde en smeekte om de vrijlating van zijn vrouw, maar… de wrede vissers deden alsof hij niet bestond en zetten resoluut koers naar de haven. [snikkende vrouwenstem op achtergrond] Vol trots hezen ze de zeemeermin aan wal, waar ze door het hele dorp werd bekeken. Vanuit de haven zag de zeemeerman hoe zijn vrouw met het uur verzwakte en tenslotte uitgeput stierf op de kade.
De zeemeerman was verscheurd door woede en verdriet. Hij smeet een handvol zand en wier in de haven en riep een vloek uit over het dorp.
[op statige toon]
Westenschouwen, ’t zal u rouwen.
[einde statige stem]
Nog die zelfde avond stak de wind op en werd het land geteisterd door zware regen, storm en bliksem. [op achtergrond harde windgeluiden en een statige stem, zeggende: ‘ Westenschouwen zal vergaan.’] De zee beukte harder dan ooit tegen de [kromme? onverstaanbaar door windgeluiden] dijken.
Binnen een paar jaar was de haven van Westenschouwen verzand en werd de bevolking zo arm, dat ze als bedelaars rond het eiland moesten trekken. Het eens zo rijke, welvarende dorp was ten dode opgeschreven, raakte in vergetelheid en verdween in het niet. Maar, de wraak van de zeemeerman was nog niet ten einde, want de vloek verplaatste zich landinwaarts, waar het vredige dorp Koudekerke moest wijken voor het woeste water. Alleen de Plompe Toren werd gespaard en staat sindsdien verlaten aan de rand van de Oosterschelde. Maar soms, wanneer het stormt, als de wind om de toren giert en de golven hoog opspatten tegen de dijken, weergalmt in de verte opeens een stem, die zegt:
[op statige toon]
‘Westenschouwen, ’t zal u rouwen
dat ge heeft geroofd mijn vrouwe,
Westenschouwen zal vergaan
alleen de toren zal blijven staan’.’
[einde statige stem]
Onderwerp
SINSAG 0031 - Die Prophezeiung des Meerweibes   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Westenschouwen   
Plompe Toren   
Batavia   
Koudekerke   
Oosterschelde   
Naam Locatie in Tekst
Koudekerke   
Westenschouwen   
Batavia   
Oosterschelde   
Plaats van Handelen
Westenschouwen   
