Hoofdtekst
De vrouw van Heer Lem
Heer Lem had Haarlem gebouwd en was daar nu koning.
Nu woonde er in die dagen in die buurt een reuzin die zoo groot was dat ze maar een stap hoefde te doen om van Holland naar Engeland te komen.
Het spreekt haast vanzelf, dat Heer Lem, die zelf ook een reus was, smoorlijk van haar werd. Hij maakte haar ijverig het hof, zong versjes in de maneschijn voor haar vensterkijn en mocht ten langen leste het genoegen smaken haar de zijne te noemen.
Van het liefdesgeluk van het reuzenpaar verhalen de kronieken jammer genoeg niets maar wel wordt er het een en ander vereld over de particuliere aangelegenheden van de reuzin.
Zoo staat het b.v. vast dat ze Walberech heette en dat ze maar een stap hoefde te doen om in Engeland te komen. Ook dat ze nog al wat vee gehad moet hebben. Vermoedelijk gaat dat wel over haar vrijsters tijd want na haar trouwen werd Heer Lem natuurlijk de baas over haar hebben en houwen. Maar voor ze trouwde dan had ze een mooie kudde vee en ze placht die kudde te weiden in de omtrek van Haarlem.
Maar nu wilde eens het geval dat brutale roovers kwamen en de kudde van Walberech stalen. Ze laadden holder de bolder de koeien en de schapen, de varkens en de paarden in hun roofschepen en zeilden er van door.
Maar ze kwamen van een kouwe kermis thuis.
Als ze Walberech gekend hadden zouden ze het wel gelaten hebben.
Toen de reuzin de volgende morgen wakker werd, heur haar gekamd en een weitekoek gegeten had en zich naar haar weide in de buurt van Scheveningen begaf, merkte ze dat haar vee gestolen was.
Woedend was ze; razend!
Ze stampte op de grond en ze gierde het uit.
Maar wat zag ze daar, daar ver in zee? Waren dat schepen? Waren dat de roofschepen die haar koeien en schapen wegvoerden.
Ze tuurde scherper en jawel hoor, nu zag ze het duidelijk. Het was zoo. Daar voeren de roovers van haar kudde.
Nu was die Walberech iemand die zich niet lang bedacht. Pardoes stapte ze in zee en waadde naar de vluchtende vloot.
Nu, ze had de luitjes gauw genoeg ingehaald. Met twee, drie stappen was ze er. En toen ze er eenmaal stond was het pleit ook spoedig beslecht. Ze maakte korte metten.
Ze pakte de schuiten op, met één vinger, en smakte ze naar de bodem van de zee.
Ze deed nog meer schrikkelijke dingen.
Met de bemanning.
Ja, die kwam er slecht af. Ze kraakte de kerels gewoonweg en van hun bloed was ze niet vies.
Maar haar kudde bracht ze behoorlijk aan land. Daarvoor was ze dan ook in zee gestapt, waar of niet!
Doodbedaard nam ze de koeien onder haar eene arm en de paarden onder haar andere en stapte terug naar het Scheveningsche strand. Ook de schapen vergat ze niet. Ze was op alles bedacht. Onder haar armen had ze geen plaats meer voor die dieren en een schortje om ze in te doen zoolang had ze niet voor, maar ze wist raad, die reuzin Walberech. Ze zette die schapen gewoonweg op haar krullebol.
De beesten dachten aanvankelijk dat ze naar een nieuwe wei gebracht werden. In het eerst liepen ze er wat onwennig rond, te blaten en naar haar lammeren te zoeken maar spoedig hadden ze een gemakkelijk plaatsje gevonden om er een beetje te gaan liggen herkauwen. Die schapen kwamen dus ook behouden en wel in de hollandsche wei terug.
Zoo'n dame was de reuzin Walberech, naar wie Heer Lem's liefde uitging.
Heer Lem had Haarlem gebouwd en was daar nu koning.
Nu woonde er in die dagen in die buurt een reuzin die zoo groot was dat ze maar een stap hoefde te doen om van Holland naar Engeland te komen.
Het spreekt haast vanzelf, dat Heer Lem, die zelf ook een reus was, smoorlijk van haar werd. Hij maakte haar ijverig het hof, zong versjes in de maneschijn voor haar vensterkijn en mocht ten langen leste het genoegen smaken haar de zijne te noemen.
Van het liefdesgeluk van het reuzenpaar verhalen de kronieken jammer genoeg niets maar wel wordt er het een en ander vereld over de particuliere aangelegenheden van de reuzin.
Zoo staat het b.v. vast dat ze Walberech heette en dat ze maar een stap hoefde te doen om in Engeland te komen. Ook dat ze nog al wat vee gehad moet hebben. Vermoedelijk gaat dat wel over haar vrijsters tijd want na haar trouwen werd Heer Lem natuurlijk de baas over haar hebben en houwen. Maar voor ze trouwde dan had ze een mooie kudde vee en ze placht die kudde te weiden in de omtrek van Haarlem.
Maar nu wilde eens het geval dat brutale roovers kwamen en de kudde van Walberech stalen. Ze laadden holder de bolder de koeien en de schapen, de varkens en de paarden in hun roofschepen en zeilden er van door.
Maar ze kwamen van een kouwe kermis thuis.
Als ze Walberech gekend hadden zouden ze het wel gelaten hebben.
Toen de reuzin de volgende morgen wakker werd, heur haar gekamd en een weitekoek gegeten had en zich naar haar weide in de buurt van Scheveningen begaf, merkte ze dat haar vee gestolen was.
Woedend was ze; razend!
Ze stampte op de grond en ze gierde het uit.
Maar wat zag ze daar, daar ver in zee? Waren dat schepen? Waren dat de roofschepen die haar koeien en schapen wegvoerden.
Ze tuurde scherper en jawel hoor, nu zag ze het duidelijk. Het was zoo. Daar voeren de roovers van haar kudde.
Nu was die Walberech iemand die zich niet lang bedacht. Pardoes stapte ze in zee en waadde naar de vluchtende vloot.
Nu, ze had de luitjes gauw genoeg ingehaald. Met twee, drie stappen was ze er. En toen ze er eenmaal stond was het pleit ook spoedig beslecht. Ze maakte korte metten.
Ze pakte de schuiten op, met één vinger, en smakte ze naar de bodem van de zee.
Ze deed nog meer schrikkelijke dingen.
Met de bemanning.
Ja, die kwam er slecht af. Ze kraakte de kerels gewoonweg en van hun bloed was ze niet vies.
Maar haar kudde bracht ze behoorlijk aan land. Daarvoor was ze dan ook in zee gestapt, waar of niet!
Doodbedaard nam ze de koeien onder haar eene arm en de paarden onder haar andere en stapte terug naar het Scheveningsche strand. Ook de schapen vergat ze niet. Ze was op alles bedacht. Onder haar armen had ze geen plaats meer voor die dieren en een schortje om ze in te doen zoolang had ze niet voor, maar ze wist raad, die reuzin Walberech. Ze zette die schapen gewoonweg op haar krullebol.
De beesten dachten aanvankelijk dat ze naar een nieuwe wei gebracht werden. In het eerst liepen ze er wat onwennig rond, te blaten en naar haar lammeren te zoeken maar spoedig hadden ze een gemakkelijk plaatsje gevonden om er een beetje te gaan liggen herkauwen. Die schapen kwamen dus ook behouden en wel in de hollandsche wei terug.
Zoo'n dame was de reuzin Walberech, naar wie Heer Lem's liefde uitging.
Beschrijving
Heer Lem, de reus die Haarlem had gebouwd, trouwde met een reuzin, genaamd Walberech. Van haar is bekend dat ze veel vee had. Op een dag stalen brutale rovers haar vee en gingen er vandoor op hun schepen. De rovers kwamen van een kouwe kermis thuis aangezien Walberech met één stap van de Hollandse kust in Engeland was. Ze had de schepen dus zo ingehaald en redde haar vee. De rovers kwamen er niet best af. Ze kraakte de kerels en van hun bloed was ze niet vies.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p.128-129.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Heer Lem   
Walberech   
Scheveningse   
Hollandse   
Naam Locatie in Tekst
Haarlem   
Holland   
Engeland   
Scheveningen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
