Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ELDER382

Een sage (), 1948 - 1949

kabouter_382.jpg
kabouter_383.jpg
kabouter_384.jpg

Hoofdtekst

Bij Aant. 1949, fol. 344c: Gradus van de Pol, 59 jaar (zie ook Aant. 1948, §7, fol. 322), zegt „sinds zijn volwassenheid” kabouters te zien, „wel tien of twaalf keer per jaar”. Hij is invalide, heeft „allerlei rugklachten” en ontvangt een invaliditeitsuitkering waarvan hij als weduwnaar „best kan bestaan”. Buitendien handelt hij - „dat is zijn liefhebberij”- in „tweedehands zakhorloges”, die hij „opscharrelt en opknapt” en ook wel repareert. Zijn vak was „bakkersknecht”, „een rotvak”…. Na voor zijn werk te zijn afgekeurd verbleef hij een tijdlang, „wel een jaar of zeven”, bij „de familie Scholten, woonwagenbewoners, en „trok met hem mee”, altijd in het oosten van het land. De laatste jaren verbleef hij veelal „op logementen”, voornamelijk te Deventer en te Almelo. Zijn „tweedehands horloges” verkoopt hij voornamelijk aan „boeren en buitenlui”, die hij per rijwiel gaat bezoeken. Van de Pol, een genoeglijk, pienter kereltje, zwerft graag en weet kennelijk de schoonheid en de sfeer van de natuurgebieden zéér te waarderen. Hij ontving weinig onderwijs, maar is stellig niet dom. Hij wekt vertrouwen en weet contacten te leggen met zijn medeburgers. Eenvoudig - „wat boers”- gekleed, zie hij er altijd schoon en fris uit.
Gradus van de Pol zegt de kabouters te ontmoeten ten noorden van het kanaal Almelo-Nordhorn en vooral in de streek rondom de bij dat kanaal gelegen Hunenborg, welk gebied hij begrenst door het kanaal te noemen en Albergen, Reutem, de Kuiperberg, Ootmarsum en Tilligte. Die kabouters bestáán, zegt hij „zo zeker als er een god bestaat”, „al zal dat dan niet de onze-lieve-heer van de vromen zijn”…. Hij, van de Pol, „ziet ze”, „klein”, „zo’n anderhalve turf hoog”, eenvoudig, ouderwets gekleed in een soort „bruinige” –soms „groenige”- „kiel” met „een riem om het middel”. Ze dragen een puntmutsje en een wijde broek. De meeste kabouters hebben een „wat wilde”, „ruige” baard en vrij lange haren. Hij zag ze wel „op blote voeten”, „gekgenoeg ook bij koud weer”, maar meestal dragen ze vrij hoge laarsjes, waarin ze dan de pijpen van de broek stoppen. „Alles veel eenvoudiger en soberder dan bij tuinkabouters”. „’t Lijken kwieke kereltjes”, maar, aldus Gradus, „ze bewegen zich rustig”, „een beetje behoedzaam”, vaak „staan ze maar wat te kijken” en Van de Pol zegt nimmer een zittende of liggende kabouter te hebben gezien. Soms „verschijnen ze ineens”, „als uit het niets”, „uit een wazigheid” en „zo verdwijnen ze ook vaak weer” en lijkt het „of er een soort wolkje, een vage plek, achterblijft”. Van de Pol zegt nooit dichter bij zo’n kabouter te zijn geweest dan „een meter of tien, vijftien”, maar hij „heeft scherpe ogen” en „wéét wat hij ziet”…. Een poging om in nader contact met zo’n kabouter te komen ondernam hij nimmer, dat „zou hij niet durven”. Ze maken, zo vindt Gradus, ook allerminst een vriendelijke indruk, en „wanneer ze toevallig in je richting kijken, dan doen ze sacherijnig”…. Buitendien, zo meent Van de Pol, zijn het „een soort geesten”, „aardgeesten” en daar „heb je als mens niks mee te maken”, „da’s een andere wereld”….
Met andere mensen – of met z’n „maats”- spreekt Van de Pol, naar hij zegt, zelden over zijn oppervlakkige ontmoetingen met die „stille kereltjes”, z’n maats „zouden hem niet geloven”, „hem voor gek verklaren” en hem „er mee pesten”…. Met „meneer Reuvekamp” (mijn „tipgever”. JHWE.) kreeg hij „een gesprek”, doordat deze een „antiek horloge” van hem kocht, op de achterkant waarvan een afbeelding van „een tuinkabouter” was aangebracht.-

Beschrijving

Kabouters zijn zo'n anderhalve turf hoog. Zij gaan eenvoudig en ouderwets gekleed; zij dragen een kiel met een riem, een puntmutsje en een wijde broek, die in hun hoge laarsjes wordt gestopt. Soms lopen ze op blote voeten, ook bij koud weer. De meeste kabouters hebben een wilde, ruige baard en vrij lange haren. Het zijn kwieke, stille, behoedzame kereltjes en maken een onvriendelijke indruk. Zij blijven altijd op een afstand van ongeveer tien à vijftien meter en verschijnen uit en verdwijnen in een wazigheid.

Bron

J.H.W. Eldermans, Aardgeesten, Gnomen, Kabouters, etc.. Restanten no. 16B. Een handgeschreven, ongepubliceerd manuscript. Manuscript eigendom van het Museum of Witchcraft, Boscastle, Cornwall, UK.

Commentaar

1948-1949
Eldermans heeft dit verhaal gehoord van de, toentertijd, 59-jarige Gradus van de Pol. Van de Pol was bakkersknecht, maar werd hiervoor afgekeurd vanwege zijn rugklachten. Hierna ontving hij een invadiliteitsuitkering, zwierf hij wat rond en hield hij zich bezig met zijn liefhebberij; het handelen in tweedehands zakhorloges. Zie onder 'Beeld' voor afbeeldingen van pagina's uit het manuscript.

Naam Overig in Tekst

Scholten    Scholten   

Almelo-Nordhorn    Almelo-Nordhorn   

Hunenborg    Hunenborg   

Reutem    Reutem   

Kuiperberg    Kuiperberg   

Reuvekamp    Reuvekamp   

Naam Locatie in Tekst

Deventer    Deventer   

Almelo    Almelo   

Nordhorn    Nordhorn   

Albergen    Albergen   

Ootmarsum    Ootmarsum   

Tilligte    Tilligte   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21