Hoofdtekst
Eem fameusen dief, die beyde sijn ooren aen de kaeck stonden, hadde lang onder de fatsoenlijckste van Haerlem geconverseert, maer eyndelijck als men begon achterdocht te krijgen, ging hij stillekens door. Elck sprak ten argsten van hem. Op 't lest seyt er één: 'Het gaf mij wonder, hoe die vent altijt aen al die nieuwe tijdingen quam.' 'Mij niet', seyde d'ander, 'want sijn eene oor stont tot Parijs en het andere tot Hamburg.'
Beschrijving
Een beruchte dief, wiens oren nu aan de schandpaal zijn genageld, heeft lange tijd in de hoogste kringen van Haarlem doorgebracht. Toen men achterdochtig begon te worden ging hij er vandoor. Men spreekt nog steeds schande van hem. Iemand merkt op dat het hem verbaast dat de dief altijd het laatste nieuws had, waarop een ander opmerkt: 'Mij niet, zijn ene oor hing immers in Parijs en zijn andere in Hamburg.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Haarlem   
Parijs   
Hamburg   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
