Hoofdtekst
Een persoon willende in een stat rijden, viel sijn peert voor neer, waerover een juffrou lachte. Hij toornich wordende, seyde: 'Dat doet mijn peert altijt als 't hoeren siet.' 'Rijdt dan niet voort,' seyde se, 'of gij breeckt den hals eer gij door de eerste straet sijt' (in dewelcke dese persoon sijn vrouw woonde).
Beschrijving
Een man die op zijn paard de stad in rijdt, wordt boos op een vrouw die lacht om zijn struikelende paard en maakt haar voor hoer uit.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20