Hoofdtekst
Een koning van Vranckrijck, op de jaght van sijn volck geraeckt sijnde, quam bij een boer die hij vraechde waer hij heen wilde. Den boer seyde: 'Na Parijs, om den koning te sien.' 'Komt dan met mijn', sey de koning. 'Maer hoe kan ick weeten', seyde de boer, 'wie den koning is?' 'Let daerop: die sijn hoet ophout als alle de andere den hoet afhebben, die is koning.' Als sij nu aen de poort quamen, soo wachten hem sijn treyn daer, die hem terstont met blooten hoofde ontfingen. De koning vraegde den boer: 'Siet gij nu wie koning is?' Maer den boer, die door verbaestheyt sijn hoet oock niet afgenomen hadde, seyde: 'Ick weet het seecker niet wel, maer mij dunckt dat het een van ons beyden moet sijn.'
Beschrijving
De koning van Frankrijk neemt een boer, die niet weet dat hij de koning is, mee naar Parijs, omdat de boer de koning graag eens wil zien. Hij vraagt waar hij de koning aan kan herkennen: hij is degene die zijn hoed ophoudt als alle anderen hem afnemen. Als zij in de stad zijn, neemt iedereen zijn hoed af, behalve de koning en de boer. Nu weet de boer nog niet wie de koning is.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Frankrijk   
Parijs   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
