Hoofdtekst
Een snaeck in een herberg etende, daer 7 eyeren voor haer 5 wierden geschaft, vatte er een van, dat hij een kleyn klopje gaf en daeraen ruyckende stillekens en ongemerckt quansuys weer neerleyde. Met het 2e dede hij insgelijckx, het derde at hij op. De andere mede meenende niet geck te sijn, raeckten de afgekeurde eyeren oock niet aen, maer men hadt soo ras het gebet niet gedaen en dat ider sijns weegs ging, of Noomkool, die expres was blijven sitten, nam se soetjes sonder ruycken na sich soodat hij er drie kreeg, daer de andere elck maer een hadden.
Beschrijving
Een ondeugende jongeman had zeven eieren gekocht en wilde ze verdelen onder hemzelf en vier vrienden. Hij pakte een van de eieren, klopte erop, rook er aan en legde hem weg. Met een tweede ei deed hij hetzelfde. Een derde ei at hij op. De anderen raakten de afgekeurde eieren ook niet aan en pakten ieder een ander ei. Toen het gebed gezegd was, pakte hij vlug de twee overgebleven eieren.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20