Hoofdtekst
In een groot bos stond een oud huisje en daar woonde een arme oud vrouw. Op een dag was er een jager verdwaald diep in het bos. Gelukkig had hij zijn honden Izer en Staol (op zijn Twents) bij zich. Twee grote sterke honden, dus hij hoefde niet bang te zijn voor de wilde dieren in het woud. Toen hij al lang rond had gedwaald zag hij in de verte een lichtje branden. Hij liep in de richting van het lampje en zag daar een klein boshuisje. Hij klopte aan en de oude vrouw deed open. Met schrik en beven keek ze de jager aan en vroeg wat hij zo laat toch deed in het donkere bos. De jager antwoordde dat hij onderdak zocht voor de nacht.
“Ach arme man”, zei de vrouw, “ik kan je dat onderdak niet geven want dan zal het je slecht vergaan”. De jager wilde weten wat er dan aan de hand was. En de oude vrouw vertelde, rillend van angst, van de ongewenste bewoners van het huis. “Ze komen met hun geroofde schatten iedere avond heel laat thuis en ze zullen je kwaad doen of erger nog, doden”.
“Maar lieve vrouw, wie zijn dat dan die jou het leven zo zwaar maken,” vroeg de jager. Toen fluisterde de vrouw, terwijl ze om zich heen keek, in de jager zijn oor: “dat zijn de aardmannetjes”. “Maar”, zei de jager, “ik heb mijn sterke grote honden bij me en die ruiken elk onraad. Laat mij hier overnachten en wij zullen de aardmannetjes verjagen”. De jager moest een hele tijd op de arme oude vrouw in praten, maar tenslotte liet ze hem binnen.
De jager legde zich te rusten op de kachelbank en zijn honden kropen eronder. Ook de oude vrouw kroop in de bedstee, nadat ze de olielamp had uitgeblazen. Midden in de nacht kraakte de deur, de jager keek door zijn oogharen en zag daar een hele rij kromme aardmannetjes binnen komen, die met grote zakken sleepten. Toen riep een van de mannetjes: “wat ruik ik hier, vreemd volk!”. Alle andere mannetjes begonnen te snuffelen, te snuiven en te krijsen: “ja, vreemd volk in ons huis!” Toen zagen ze daar de jager op de kachelbank en ze wilden zich op hem storten. Onmiddellijk riep de jager: “Izer en Stoal, pak ze”! De grommende sterke honden deden onmiddellijk wat hun baas hen opdroeg. Ze schoten tevoorschijn, zetten hun tanden in de aardmannetjes en verscheurden de ene na de ander.
Nu kon het oude vrouwtje gelukkig en wel tot aan haar dood in het huisje blijven wonen. De eerlijke jager bracht de schatten van de aardmannetjes weer terug naar hen, aan wie deze toebehoorden.
“Ach arme man”, zei de vrouw, “ik kan je dat onderdak niet geven want dan zal het je slecht vergaan”. De jager wilde weten wat er dan aan de hand was. En de oude vrouw vertelde, rillend van angst, van de ongewenste bewoners van het huis. “Ze komen met hun geroofde schatten iedere avond heel laat thuis en ze zullen je kwaad doen of erger nog, doden”.
“Maar lieve vrouw, wie zijn dat dan die jou het leven zo zwaar maken,” vroeg de jager. Toen fluisterde de vrouw, terwijl ze om zich heen keek, in de jager zijn oor: “dat zijn de aardmannetjes”. “Maar”, zei de jager, “ik heb mijn sterke grote honden bij me en die ruiken elk onraad. Laat mij hier overnachten en wij zullen de aardmannetjes verjagen”. De jager moest een hele tijd op de arme oude vrouw in praten, maar tenslotte liet ze hem binnen.
De jager legde zich te rusten op de kachelbank en zijn honden kropen eronder. Ook de oude vrouw kroop in de bedstee, nadat ze de olielamp had uitgeblazen. Midden in de nacht kraakte de deur, de jager keek door zijn oogharen en zag daar een hele rij kromme aardmannetjes binnen komen, die met grote zakken sleepten. Toen riep een van de mannetjes: “wat ruik ik hier, vreemd volk!”. Alle andere mannetjes begonnen te snuffelen, te snuiven en te krijsen: “ja, vreemd volk in ons huis!” Toen zagen ze daar de jager op de kachelbank en ze wilden zich op hem storten. Onmiddellijk riep de jager: “Izer en Stoal, pak ze”! De grommende sterke honden deden onmiddellijk wat hun baas hen opdroeg. Ze schoten tevoorschijn, zetten hun tanden in de aardmannetjes en verscheurden de ene na de ander.
Nu kon het oude vrouwtje gelukkig en wel tot aan haar dood in het huisje blijven wonen. De eerlijke jager bracht de schatten van de aardmannetjes weer terug naar hen, aan wie deze toebehoorden.
Beschrijving
Een verdwaalde jager wil overnachten bij een vrouwtje in het bos. Zij is erg bang en vertelt dat er aardmannetjes in het huis zijn. Zij doen kwaad en komen met geroofde schatten iedere avond thuis. De jager stelt haar gerust en zegt dat hij zijn twee honden bij zich heeft. Wanneer de aardmannetjes midden in de nacht thuiskomen, ruiken ze vreemd volk. De jager stuurt zijn honden naar de aardmannetjes, die worden verscheurd. Het vrouwtje kan hierna rustig in haar huisje blijven wonen. De jager brengt de geroofde schatten weer terug naar de eigenaars.
Bron
Ingezonden in de Nederlandse Volksverhalenbank van het Meertens Instituut
Commentaar
2009-08-21 23:07:05
Naam Overig in Tekst
Izer   
Stoal   
Twents   
Naam Locatie in Tekst
Twente   
Almelo   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
