Hoofdtekst
Zo begint de nog flink gebouwde oude schipper Eduard de Bruijn, die in het laatste huisje van de Lage Weg richting Zeedorp in Ossenisse woont.
'Heel wat jaren heb ik - als jongen eerst bij mijn vader, later zelf - op een hoogaars gevaen.
Gevist hebben we niet, we hebben altijd zand en klei aangevaren voor het dijkonderhoud. Een zwaar, slecht betaald werk. Ik heb in die lange tijd wel een en ander beleefd, maar niet van die dingen, waarover u mij liet lezen. Maar in de stille buurt van Ossenisse zijn er wel zaken bekend, die zo men zei "niet pluis" waren!
In de polders tussen Zeedorp en Walsoorden heb je o.a. de "Knuitershoek". Men vond daar omstreeks 1890 slechts een enkele boerderij en een paar arbeidershuisjes. En er was in die dagen geen enkele buitenverlichting. Mijn moeder kende toen een boerenknecht, die kort bij "de Nol" woonde. Die had verkering met een arbeidersmeisje, dat op dezelfde boerderij diende en daar ook 's nachts bleef slapen.
Op een zondagavond bracht de knecht zijn meisje, na een avondwandeling, terug naar de boerderij. Toen ze de dreef, die met zware olmen was beplant, opliepen, zei de jongen: "Loop maar even door, ik kom zo. Wees niet bang, als je soms een zwarte hond ziet!"
"Ik ben niet zo gauw bang", zei het meisje, "maar blijf niet te lang weg."
En of het zo sprak, daar kwam inderdaad een grote zwarte hond op haar af. Maar het was er een, dat wist ze zeker, die niet op de boerderij thuis hoorde. Het meisje maakt zich ongerust. Ze neemt haar wollen omslagdoek van de schouders en geeft het dier een rake mep op zijn muil, dat het huilend wegrent. "Ik ben toch zo geschrokken", zegt ze tegen haar vrijer, die is teruggekomen, "daar kwam zoëven een grote zwarte hond op me af!" Daar blijft het dan verder bij. Ze komen de boerderij binnen en de boerin heeft nog wat brood klaar gezet. "Eet ze met smaak!" zegt ze.
Maar als ze beginnen ziet het meisje, dat de jongen tal van wollen pluizen tussen zijn tanden heeft zitten. Pluizen, die afkomstig zijn van haar eigen omslagdoek. Verschrikt springt ze op en wijst vol afschuw naar wat er tussen zijn tanden zit.
De jongen spreekt eveneens op, rent het huis uit en nimmer heeft ze hem teruggeizen. De andere ochtend vroeg vernam ze van anderen, dat hij naar België was vertrokken, om daar werk te zoeken.
Moeder vertelde mij, dat destijds meerdere meisjes en vrouwen "den Ossaert" hadden moeten meedragen. Een meisje in de buurt is daar zo van geschrokken, dat ze kort daarop is gestorven. Ook moeder zelf, ze heette Elisabeth Strobbe en ze woonde op Klevershille bij Walsoorden, heeft op een avond, dat ze van de boerderij terugkwam waar ze overdag werkte, "den Ossaert" op haar schouders moeten meedragen. Ge moogt vast geloven, meneer dat de deugniet van een knecht daar voor "Ossaert" heeft gespeeld!
Maar het was niet alleen in de stille Noordhoek, tegen de Schelde aan, dat het niet deugde. Ook de Hooglandsedijk was in die dagen berucht. En wie er 's avonds niet beslist langs moest, kwam daar niet in de buurt.
Maar ja, Adriaan Pieters, die werkte bij boer Adriaansens en die op Ossenisse woonde moest daar wel passeren. Nu was hij niet zo flauw uitgevallen en nog nooit had hij iets bijzonders opgemerkt. Tot op een avond, het was kort voor Kerstmis en zeker ook rond 1890, dat hij op meerdere plaatsen langs de Hooglandsedijk vijftien tot twintig witte katten de sloot zag uitkomen. Ze staken dan, misschien tien meter van hem vandaan, de weg over, om aan de andere kant van de dijjk in het donker te verdwijnen.
Pieters was daar niet geheel gerust op, maar vertelde noch thuis, noch bij Adriaansens iets over deze historie. Hij was bang dat ze hem zouden uitlachen. De avond daarop echter kwam Pieters eerst laat 's nachts thuis, terwijl zijn vrouw in dodelijke onrust over hem had verkeerd.
Toen Pieters de boerderij had verlaten (het was juist de avond voor Kerstmis) en hij welgemoed huiswaarts keerde, want hij had een goede kerstgaaf van boer Adriaansens gekregen, zag hij over de dijkhelling van onder af een witte doorschijnende figuur opstijgen, die in een lichtend wit gewaad als een vrouw gekleed op hem toeglijdt. Dodelijk verschrikt staart Pieters de verschijning aan. Dan voelt hij dat hem iets zwaars in handen wordt gedrukt. En meteen is de witte gedaante verdwenen.
En of hij nu wil of niet, maar de handvaten van een kruiwagen die hem in de handen zijn gedrukt moet hij blijven vasthouden. En alsof er aan wordt getrokken beweegt zich de kruiwagen die hij moet volgen over de onverharde dijk, door poelen en plassen. En eerst na middernacht gevoelt hij, dat hij van het ding is bevrijd. De vreselijk geschrokken Pieters, die pas de volgende ochtend aan zijn vrouw heeft verteld wat hem is overkomen - want om haar die nacht niet bang te maken had hij een uitvucht bedacht - is daarop naar de pastoor gegaan. Die is nog dezelfde dag over de Hooglandsedijk gegaan en heeft de dijk hier en daar met wijwater besprenkeld. En niet één keer heeft men over deze vreemde zaken later meer iets vernomen!
Mijn vader en mij is iets vreemds overkomen, terwijl we sliepen op ons scheepke. We lagen meermalen in het haventje van Walsoorden en nogal eens naast de beurtman (beurtschipper) van Baarland (schuin tegenover Ossenisse op Zuid-Beveland).
Het was daar bij de schipper aan boord niet in orde, meneer!
Vader en ik, we hebben het zelf gezien, dat 's nachts de luiken uit zichzelf opensloegen en een massa zwarte katten over het dek heen en weer renden!
Eenmaal is het gebeurd, dat de schuit waar we 's avonds toch achterlagen, 's nachts was verdwenen. En - het was laag tij - dus lagen we gedeeltelijk op het droge! Vader zei: 'Daar begrijp ik niks van!'
Maar d'andere morgen al vroeg lag de schuit weer op zijn plaats, met op het voordek een tak van een boom met vreemde bladeren.
De knecht, die stilletjes bij ons aan boord kwam zei: 'Mensen ge moet er niet verder over praten, maar 'k heb een vreselijke nacht beleefd!' 'We zijn in één nacht naar Indië gevaren en terug! De vrouw stond aan het roer en de baas lag bewusteloos in zijn kooi! Ik zelf had me verstopt in het vooronder.'
Wij, vader en ik, dachten dat de knecht niet wél in het hoofd was. Maar we konden toch ook niet verklaren, hoe het schip die nacht had kunnen wegkomen en terugkeren.
Om het in het kort te vertellen: de laatste keer dat we er naast hebben gelegen, want daarna kwam de schipper niet meer in het haventje, was het 's nachts weer raak met de zwarte katten. De knecht van de beurtman hield stiekem de wacht en had met een bijl een kat een klauw afgeslagen.
Toen we 's ochtends al vroeg wakker waren, hoorden we aan boord van de beurtman een geschrei en gekerm. Vader ging kijken, maar werd door de schipper nogal flink afgesnauwd: 'Mijn wijf heeft een poot gebroken,' riep hij nog, 'maar 't is wel d'er eigen schuld!'
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Eduard de Bruijn   
Elisabeth Strobbe   
Ossaert   
Ossaart   
Osschaert   
Osschaart   
Adriaan Pieters   
Adriaansens   
Naam Locatie in Tekst
Ossenisse   
Lage Weg   
Zeedorp   
Walsoorden   
Knuitershoek   
Nol   
België   
Noordhoek   
Hooglandsedijk   
Baarland   
Indië   
