Hoofdtekst
Een joncker hadt een deel van sijn vrienden op zijn geboortetaert genoot. De knecht, daermede coomende, valt de camerdeur in, over een oragnieschil. De joncker, dit siende, seyde: 'Dat can ick oock wel, des heb ick geen knecht daertoe van doen', waerop de knecht antwoorde: 'Dat geloof ick wel, mijnheer, gij hebt goet seggen nu gij 't van mij gezien hebt.'
Beschrijving
Een jonker nodigt zijn vrienden uit voor zijn verjaardag, maar de knecht laat de taart vallen. De jonker zegt dat hij daar geen knecht voor nodig heeft, dat kan hij zelf ook wel. De knecht antwoordt dat hij dat ook wel gelooft, nu hij heeft laten zien hoe het moet.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20