Hoofdtekst
Het was in de zomer van 1949, dat in het veld, op de grens tussen Vries en Norg, een paal werd geplaatst, een lebbepaol of lebstaok. Al veel eerder en heel lang had een andere lebbepaol hier gestaan. Een paal met gedachtenis aan een dramatisch gebeuren van heel vroeger. Hoor, wat volgens overlevering eens op de wijde heide die Norg scheidde van Vries, is gebeurd.
Het was op een najaarsavond. Een koude wind joeg over de heide. De lucht was grauw. Fijne hagel striemde tussen de regenvlagen door de berken en de elzen en rukte de laatste blaadjes los van de takken. Over het pad door de heide ging een oude halfblinde vrouw. Zij strompelde. Onder haar ene arm een doek met bedelwaar. In de andere hand een stevige stok, om niet weg te glibberen in de modder en om zich tegen gevaar te weren. De punt van de tipdoek op haar hoofd wapperde op en maakte zo haar grijze haren zichtbaar. Lebbe was haar naam. Op weg naar Norg was ze. Verlangend naar onderdak in een schuur, om te rusten op wat stro. Rusten. Zij wilde meteen wel rusten. zij was zo oud en zo moe.
In het westen, vlak boven de kim, kleurde de lucht. Een blauwe streep. Daaronder en daarboven een vreemde, zacht-paarse gloed als teken van de zon, die weg was.
Snijdender werd de wind, venijniger de hagel en nog kouder de regen. Haar gezicht, haar hoofdhuid en haar handen pijnden van vocht en kou. De wind probeerde te blazen door haar dunne kleren en onder de omslagdoek, om te komen bij haar schouders.
Zwaarder werd het geluid, waarmee haar stok neerkwam op het heidepad. Zwaarder werden de voeten na iedere stap die Lebbe dichter bracht bij Norg.
Daar was een kleine hoogte. Opzij van het pad. Zij voelde zich zo vreemd, zo moe. Zo door en door koud, zo door en door nat. Even rusten? Even zitten met de rug tegen de wind. Even maar, ook al was de grond zo nat.
De doek met bedelwaar gleed weg uit haar arm en plofte in een plas. Lebbe boog zich om haar schamele bezit te grijpen. Haar stok lag naast haar. Zij verloor haar evenwicht. Haar magere lijf had geen houvast meer. Haar handen weerde zich niet meer af. Zo gleed ze languit naast haar waar in het water. Haar kleren zogen het vocht op en kilheid omklemde toen heel haar lichaam. Zonder pijn, zonder lijden gleed zo de oude Lebbe de eeuwigheid binnen.
De andere dag. De regen had opgehouden. Stapelwolken achtervolgden elkaar boven het heideveld. Ze werden voortgejaagd door de kille oostenwind langs de hardblauwe hemel. Jan Starke, de scheper van Norg, zocht met zijn schapen naar plekken met nog iets eetbaars. Zijn honden ontdekten het lijk van Lebbe. Jan Starke schrok. Hij kende Lebbe. Zij zwierf van boerschap naar boerschap. Nergens was zij thuis en niemand wist waar zij hoorde.
Jan Starke keerde terug met zijn schapen naar de kooi. De schulte werd gewaarschuwd en de markegenoten. Lebbe zou moeten worden begraven. Maar de laatste eer en de laatste plicht kosten geld. De Norgers waren niet rijk, wel zuinig. Het begrootte hen, een kist te moeten maken en de begrafenis te verzorgen van iemand die vreemd voor hen was. Waar, op welke plek, had Jan Starke haar gevonden? 'Nog krek in de marke van Vries,' vertelde hij zijn volk.
'Dan raken wij het lijk niet aan,' was het bescheid.
Een boodschap werd gestuurd naar de boeren van Vries. Ook daar werd beraadslaagd. Acht sterke mannen gingen toen met een ladder het veld in. Behoedzaam tilden ze de oude Lebbe op het hout. Knokig waren haar armen en benen, rafelig en dun haar kleding. Haar grijze haar piekte langs de grauwe wangen.
Met een deken bedekten de mannen haar.
Zo droegen ze haar naar Vries. Terug over het heidepad dat zij gisteren zelf was gegaan. Vier man aan iedere kant van de ladder. Dicht aan de muur van de kerspelkerk kreeg zij de rustplaats die ze steeds vergeefs had gezocht. De mensen van Vries plaatsten als gedenkteken een paoltien op haar graf.
Op de plaats waar Lebbe was gevonden, daar waar het veld van Vries overgaat in dat van Norg, werd ook een paal opgericht.
Een eiken gedenkteken, om de oude Lebbe te eren. Maar tevens als grensbaken, als scheidingsteken tussen de marken. De Lebbestok, de lebstaok werd voortaan de paal genoemd. Tot ere van het volk van Vries en tot schaamte van die van Norg, die ten koste van vele bunders goed heideveld hun plicht hadden verzaakt.
Het was op een najaarsavond. Een koude wind joeg over de heide. De lucht was grauw. Fijne hagel striemde tussen de regenvlagen door de berken en de elzen en rukte de laatste blaadjes los van de takken. Over het pad door de heide ging een oude halfblinde vrouw. Zij strompelde. Onder haar ene arm een doek met bedelwaar. In de andere hand een stevige stok, om niet weg te glibberen in de modder en om zich tegen gevaar te weren. De punt van de tipdoek op haar hoofd wapperde op en maakte zo haar grijze haren zichtbaar. Lebbe was haar naam. Op weg naar Norg was ze. Verlangend naar onderdak in een schuur, om te rusten op wat stro. Rusten. Zij wilde meteen wel rusten. zij was zo oud en zo moe.
In het westen, vlak boven de kim, kleurde de lucht. Een blauwe streep. Daaronder en daarboven een vreemde, zacht-paarse gloed als teken van de zon, die weg was.
Snijdender werd de wind, venijniger de hagel en nog kouder de regen. Haar gezicht, haar hoofdhuid en haar handen pijnden van vocht en kou. De wind probeerde te blazen door haar dunne kleren en onder de omslagdoek, om te komen bij haar schouders.
Zwaarder werd het geluid, waarmee haar stok neerkwam op het heidepad. Zwaarder werden de voeten na iedere stap die Lebbe dichter bracht bij Norg.
Daar was een kleine hoogte. Opzij van het pad. Zij voelde zich zo vreemd, zo moe. Zo door en door koud, zo door en door nat. Even rusten? Even zitten met de rug tegen de wind. Even maar, ook al was de grond zo nat.
De doek met bedelwaar gleed weg uit haar arm en plofte in een plas. Lebbe boog zich om haar schamele bezit te grijpen. Haar stok lag naast haar. Zij verloor haar evenwicht. Haar magere lijf had geen houvast meer. Haar handen weerde zich niet meer af. Zo gleed ze languit naast haar waar in het water. Haar kleren zogen het vocht op en kilheid omklemde toen heel haar lichaam. Zonder pijn, zonder lijden gleed zo de oude Lebbe de eeuwigheid binnen.
De andere dag. De regen had opgehouden. Stapelwolken achtervolgden elkaar boven het heideveld. Ze werden voortgejaagd door de kille oostenwind langs de hardblauwe hemel. Jan Starke, de scheper van Norg, zocht met zijn schapen naar plekken met nog iets eetbaars. Zijn honden ontdekten het lijk van Lebbe. Jan Starke schrok. Hij kende Lebbe. Zij zwierf van boerschap naar boerschap. Nergens was zij thuis en niemand wist waar zij hoorde.
Jan Starke keerde terug met zijn schapen naar de kooi. De schulte werd gewaarschuwd en de markegenoten. Lebbe zou moeten worden begraven. Maar de laatste eer en de laatste plicht kosten geld. De Norgers waren niet rijk, wel zuinig. Het begrootte hen, een kist te moeten maken en de begrafenis te verzorgen van iemand die vreemd voor hen was. Waar, op welke plek, had Jan Starke haar gevonden? 'Nog krek in de marke van Vries,' vertelde hij zijn volk.
'Dan raken wij het lijk niet aan,' was het bescheid.
Een boodschap werd gestuurd naar de boeren van Vries. Ook daar werd beraadslaagd. Acht sterke mannen gingen toen met een ladder het veld in. Behoedzaam tilden ze de oude Lebbe op het hout. Knokig waren haar armen en benen, rafelig en dun haar kleding. Haar grijze haar piekte langs de grauwe wangen.
Met een deken bedekten de mannen haar.
Zo droegen ze haar naar Vries. Terug over het heidepad dat zij gisteren zelf was gegaan. Vier man aan iedere kant van de ladder. Dicht aan de muur van de kerspelkerk kreeg zij de rustplaats die ze steeds vergeefs had gezocht. De mensen van Vries plaatsten als gedenkteken een paoltien op haar graf.
Op de plaats waar Lebbe was gevonden, daar waar het veld van Vries overgaat in dat van Norg, werd ook een paal opgericht.
Een eiken gedenkteken, om de oude Lebbe te eren. Maar tevens als grensbaken, als scheidingsteken tussen de marken. De Lebbestok, de lebstaok werd voortaan de paal genoemd. Tot ere van het volk van Vries en tot schaamte van die van Norg, die ten koste van vele bunders goed heideveld hun plicht hadden verzaakt.
Beschrijving
Oude zwervende vrouw sterft onderweg op de heide tussen Vries en Norg, maar volgens de vinder nog net in de marke Vries. De zuinige Norgers laten daarom de begrafenis over aan de mensen van Vries, die haar begraven en een paaltje op haar graf zetten. Op de plaats waar de vrouw, Lebbe geheten, is gevonden, is een gedenkteken, tevens grensteken, de Lebbestok, opgericht.
Bron
Lammert Huizing. De lebstaok. in Witte Wieven: de meest bekende volksverhalen uit Drenthe. Samenst. Emmy Wijnholds-Schuster. 4e dr. Zuidwolde, 2001. p. 51-53
Commentaar
1980
Eerder opgenomen onder de naam Huso [pseud. van Lammert Huizing] in H.J. Prakke: Volksverhalen uit Drenthe: of: de bruid waarom niemand danste. Utrecht [etc.], 1980. p. 81-82
Eerste vastlegging: Jan van der Veen Azn: De dodenpaal of lebstok, in Nieuw Drentsch Mozaïk, Assen, 1878
Eerste vastlegging: Jan van der Veen Azn: De dodenpaal of lebstok, in Nieuw Drentsch Mozaïk, Assen, 1878
Naam Overig in Tekst
Vries   
Lebbe   
Jan Starke   
Naam Locatie in Tekst
Norg   
Plaats van Handelen
Norg (Drenthe)   
Kloekenummer in tekst
C176p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
