Hoofdtekst
Een dief, die sooeven gegeesselt en gebrantmerckt was tot Wesop, ging buyten een pintje drincken. Met de waerdt in de praet geraekende, vraegde hij of er niet nieuws en was. R. 'Neen, sonderling niet als dat er vandaeg recht gedaen is.' R. 'Dat lieg je.' R. 'Wat onfatsoenlijck spreecken is dat!' R. 'Ja, ick segget noch eens, dat ghij het liegt. R. 'Daer sijn honderd luyden die het gesien hebben.' R. 'Datter vandaeg te Wesop recht gedaen is?' R. Ja.' R. 'Voor de derde reys, gij liegt het.' Met trock hij sijn rockjen uyt, seggende: 'Siet daer, ick hebber immer selver bij geweest, maer hadden de heeren in plaets van brantmercken recht gedaen, soo moesten sij mij gehangen hebben.'
Beschrijving
Een dief was in Weesp gegeseld en gebrandmerkt. Hij zat een biertje te drinken en kwam aan de praat met de waard, aan wie hij vroeg of er nog nieuws was. De waard zei dat het enige nieuws was dat vandaag het recht uitgevoerd was. De dief zei drie keer dat hij loog, want hij was er zelf bij geweest en als het recht echt uitgevoerd was, hadden ze hem opgehangen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Locatie in Tekst
Weesp (Wesop)   
Plaats van Handelen
Weesp (Noord-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E121p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
