Hoofdtekst
In de Leydse schuyt raakte een oud man met een vrou, die tegensover hem zat, in discours. Onder andere ontviel hem dat hij in geen tien jaaren in de kerck was geweest, waarover sij zeer geërgert wierd en hem hondert schampere verwijten daarover deed. Hierop komt Boudewijn, des schippers knegt, in de schuyt om vragt t' ontvangen. 'Hoe ben je zo gestoort, vrouwtje', zeide hij. 'Zouw ik niet quaad wesen', en verhaalt hem het gepasseerde. 'Verwonder u daar zoo niet over; ik zal u nog wat anders vertellen. Hier in dese buurt, daar wij nu verbij vaaren, geviel het over eenigen tijd dat een man van 70 jaar op zijn doodsbed lag. De predikant, die bij hem gehaalt was, vermaande hem 't Vader Ons op te zeggen. "Och, dat kan ik niet, dominé", antwoorde hij. "Wel foey, schaamt u wat, waar meent gij heen te vaaren?" "Wel dominé, stoort u dog daar zoo niet over. Daar is mijn buurman Jasper, die wel tien jaar ouder is als ik, en die kan geen kaas eeten." 'Daarom', zey Boudewijn, 'leert uw kinderen bijtijds kaas eeten, dan word het haar in haaren ouden dag niet verweten.'
Beschrijving
Op de boot in Leiden kwamen een man en vrouw in gesprek. De man zei dat hij al tien jaar niet in de kerk was geweest, waarop de vrouw erg kwaad werd. De schippersknecht zei toen dat het erger kon, een zeventigjarige man kon het onzevader niet opzeggen, en een tachtigjarige man kon geen kaas eten.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Boudewijn   
Jasper   
Naam Locatie in Tekst
Leiden   
Plaats van Handelen
Leiden (Zuid-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E167p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
