Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ANDERSEN1845 - Het kleine meisje met de zwavelstokken

Een sprookje (boek), 1845

Floris-Arntzenius-Matches-Girl.jpg

Hoofdtekst

HET KLEINE MEISJE MET DE ZWAVELSTOKKEN
Het was zo gruwelijk koud: het sneeuwde en het begon donker te worden, het was ook de laatste avond van het jaar – oudejaarsavond. In die koude en duisternis liep er op straat een klein arm meisje blootshoofds en barrevoets; ja, ze had wel pantoffels gedragen toen zij van huis ging, maar wat hielp dat! Het waren heel grote pantoffels, haar moeder had ze het laatst gedragen, zó groot waren zij, en die verloor het kleintje toen zij door de straat holde, op het ogenblik dat twee wagens met verschrikkelijke vaart voorbijstoven. De ene pantoffel was niet te vinden en met de andere liep een jongen weg; hij zei dat hij die kon gebruiken als wieg, wanneer hij zelf kinderen kreeg.
Daar liep het meisje nu op haar blote voetjes, die rood en blauw waren van de kou; in een oud schort hield zij een heleboel zwavelstokken en één bosje droeg zij in de hand. De hele dag had nog niemand van haar gekocht, niemand had haar een stuivertje gegeven; hongerig en verkleumd liep ze daar en zij zag er zo teneergeslagen uit, de stakker! De sneeuwvlokken vielen op haar lange blonde haren die zo aardig om haar hals krulden, maar aan dat moois dacht ze zeker niet. Uit alle vensters straalden de kaarsen en het rook op straat zo heerlijk naar gebraden gans – het was immers oudejaarsavond, ja, daar dacht ze aan.

In een hoek tussen twee huizen – het ene stak iets meer vooruit dan het andere – ging ze ineengedoken zitten; haar voetjes had zij onder zich getrokken, maar zij leed nog erger kou en naar huis durfde ze niet. Zij had toch immers geen zwavelstokken verkocht, geen stuiver ontvangen, haar vader zou haar slaan. En thuis was het ook koud, zij hadden alleen maar het dak boven zich en daar gierde de wind doorheen, al waren er ook strootjes en lompen in de grootste spleten gestopt. Haar handjes waren bijna dood van de kou. Ach, een zwavelstokje zou goeddoen. Als zij er maar één uit het bosje durfde te trekken en tegen de muur afstrijken om de vingers te warmen. Zij trok er één uit, “rits” wat sputterde het, wat brandde het! Het was een warme, heldere gloed, net als een kaarsje, toen ze de hand eromheen hield: het was een wonderlijke kaars! Het kleine meisje dacht dat zij voor een grote kachel zat met gepoetste koperen ballen en een koperen deksel; het vuur brandde zo heerlijk, zo lekker warm! Nee, wat was dat nu? Het kleintje strekte haar voetjes al uit om die ook te warmen, toen ging het vlammetje uit. De kachel verdween – zij zat met een stompje van de uitgebrande zwavelstok in de hand.

Een nieuwe werd afgestreken, die brandde, die straalde, en waar de glans op de muur viel werd die doorzichtig als gaas; zij keek de kamer binnen waar de tafel gedekt stond met een schitterend, wit laken, met kostbaar porselein, en een heerlijk dampende gebraden gans, met pruimen en appelen! En wat nog mooier was de gans sprong van de schotel, rolde over de grond met vork en mes in de rug, helemaal naar het arme meisje toe. Toen ging de zwavelstok uit en er was alleen de dikke koude muur.
Zij stak een nieuwe aan. Toen zat ze onder een prachtige kerstboom; die was nog groter en mooier versierd dan die zij door de glazen deur bij de rijke koopman had gezien, deze Kerstmis; duizenden kaarsen brandden op de groene takken en gekleurde prentjes, zoals in de winkels prijkten, keken op haar neer. Het kleintje strekte beide handjes uit – toen doofde de zwavelstok; de vele kerstkaarsen stegen hoger en hoger, zij zag nu dat het de heldere sterren waren. Een van die sterren verschoot en maakte een lange vuurstreep aan de hemel.

“Nu sterft er iemand,” zei het kleintje, want haar oude Grootje, die als enige goed voor haar was geweest maar die nu was gestorven, had gezegd: wanneer er een ster valt, stijgt een ziel op tot God. Opnieuw streek zij aan de muur een zwavelstok af. Die gaf licht, en in die glans stond haar oude Grootje, zo helder, zo stralend, zo zacht.
“Grootje!” riep het kleintje. “O, neem mij toch mee! Ik weet dat je weg bent waneer de zwavelstok uitgaat, weg net als de warme kachel, de gebraden gans en de grote kerstboom!” Haastig streek zij alle overige zwavelstokken uit het bosje af, zij wilde Grootje goed vasthouden; de zwavelstokken straalden met zo’n glans dat het helderder werd dan op klaarlichte dag. Grootje was nog nooit zo mooi geweest, zo groot; zij tilde het kleine meisje op haar arm en zij vlogen beiden in glans en blijdschap hoger en hoger. En er waren geen koude, geen honger, geen angst – zij waren bij God!
Maar in de hoek bij het huis zat in de koude morgenstond het kleine meisje met rode wangen, met een glimlach om de mond – dood, doodgevroren op de laatste avond in het oude jaar. Nieuwjaarsmorgen brak aan over het lijkje dat daar met de zwavelstokken zat, waarvan een bosje bijna was opgebrand. Zij had zich willen warmen, zei men. Niemand wist wat voor moois ze had gezien, in welke glans zij met haar oude Grootje binnen was getreden in de vreugde van het nieuwe jaar!

Onderwerp

TM 0748B - Het meisje met de zwavelstokjes.    TM 0748B - Het meisje met de zwavelstokjes.   

Beschrijving

Arm meisje probeert in de kou zwavelstokjes te verkopen. Niemand wil iets van haar kopen en ze besluit voor de warmte drie stokjes aan te steken. Telkens krijgt ze een visioen, ze ziet een kerstboom, een gebraden gans en haar lieve gestorven grootmoeder. In de armen van haar grootmoeder gaat ze mee naar de hemel. Ze sterft, doodgevroren door de kou.

Bron

Hans Christian Andersen: Sprookjes en vertellingen. Bussum 1975, p. 347-348.

Commentaar

Kunstsprookje, geen volkssprookje.
Oorspronkelijke titel Den lille Pige med Svovlstikkerne.

Naam Overig in Tekst

Kerstmis    Kerstmis   

God    God   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20