Hoofdtekst
Heksenkringen
In Woensel woonde vroeger een jongen die verkering had met een knap meisje.
Op een avond, toen vader en moeder niet thuis waren, zaten ze beiden bij de platte-buiskachel wat met elkaar te praten. Het was warm in de kamer en daardoor kwam het misschien wel dat het meisje in slaap viel. De jongen zag het wel, maar hij wilde haar niet wakker maken. Ze zal wel moe zijn, dacht hij bij zichzelf.
Na een poosje hoorde de jongen buiten een erbarmelijk kattegejammer en op hetzelfde moment was er iets dat vanuit het meisje door de schoorsteen naar buiten vloog. De jongen was daarover zeer verwonderd, maar omdat er verder niets gebeurde, dacht hij dat het wel verbeelding zou zijn geweest. Maar een uurtje later kwam datzelfde 'iets' weer door de schoorsteen naar binnen en loste op in het meisje. Nu kreeg de jongeman toch het gevoel dat er iets niet in orde was. Enkele ogenblikken later sloeg het meisje haar ogen open en keek wat verdwaasd om zich heen. 'Och, och,' zei het meisje, 'wat heb ik geslapen. Ik ben wakker geworden, omdat ik zo naar droomde.' Zij vertelde de jongen wat ze gedroomd had. Zij was naar het kerkhof geweest en daar was zij veranderd in een bonte kat. Op het kerkhof moest zij dansen, met wel vijftig ander katten, die echter allemaal zwart waren.
Toen herinnerde de jongen zich wat hij gezien had. Zij was ongetwijfeld, zonder dat ze het zelf wist, een heks. En wat hij naar buiten en binnen had zien komen, was haar geest geweest.
De jongen besloot zijn meisje te helpen. Enkele dagen later zaten beide geliefden weer bij de platte-buiskachel, toen ook nu het meisje weer in een diepe slaap viel. En weer zag de jongen dat 'iets' door de schoorsteen naar buiten gaan.
Vlug stond de jongen nu op en spoedde zich naar het kerkhof. Toen de klok tien uren sloeg, kwam plotseling van alle kanten een groot aantal zwarte katten opdagen, die geweldig te keer gingen. Tussen al die zwarte katten was een kat, die niet zwart maar lichtbruin gevlekt was. De jongen wist meteen dat deze kat zijn meisje was, want zij had dit uit haar droom verteld. Plotseling sprong de jongen tussen de katten, nam de bonte kat op en vluchtte ermee weg, het kerkhof af.
Toen hij zo een poosje had voortgelopen, zei het katje: 'Dank je wel, liefste,' en op hetzelfde moment was zij verdwenen. Toen de jongen even later bij het huis van het meisje kwam, zat zij reeds op hem te wachten. De betovering was verbroken en het meisje heeft nooit meer last van angstige dromen gehad.
In Woensel woonde vroeger een jongen die verkering had met een knap meisje.
Op een avond, toen vader en moeder niet thuis waren, zaten ze beiden bij de platte-buiskachel wat met elkaar te praten. Het was warm in de kamer en daardoor kwam het misschien wel dat het meisje in slaap viel. De jongen zag het wel, maar hij wilde haar niet wakker maken. Ze zal wel moe zijn, dacht hij bij zichzelf.
Na een poosje hoorde de jongen buiten een erbarmelijk kattegejammer en op hetzelfde moment was er iets dat vanuit het meisje door de schoorsteen naar buiten vloog. De jongen was daarover zeer verwonderd, maar omdat er verder niets gebeurde, dacht hij dat het wel verbeelding zou zijn geweest. Maar een uurtje later kwam datzelfde 'iets' weer door de schoorsteen naar binnen en loste op in het meisje. Nu kreeg de jongeman toch het gevoel dat er iets niet in orde was. Enkele ogenblikken later sloeg het meisje haar ogen open en keek wat verdwaasd om zich heen. 'Och, och,' zei het meisje, 'wat heb ik geslapen. Ik ben wakker geworden, omdat ik zo naar droomde.' Zij vertelde de jongen wat ze gedroomd had. Zij was naar het kerkhof geweest en daar was zij veranderd in een bonte kat. Op het kerkhof moest zij dansen, met wel vijftig ander katten, die echter allemaal zwart waren.
Toen herinnerde de jongen zich wat hij gezien had. Zij was ongetwijfeld, zonder dat ze het zelf wist, een heks. En wat hij naar buiten en binnen had zien komen, was haar geest geweest.
De jongen besloot zijn meisje te helpen. Enkele dagen later zaten beide geliefden weer bij de platte-buiskachel, toen ook nu het meisje weer in een diepe slaap viel. En weer zag de jongen dat 'iets' door de schoorsteen naar buiten gaan.
Vlug stond de jongen nu op en spoedde zich naar het kerkhof. Toen de klok tien uren sloeg, kwam plotseling van alle kanten een groot aantal zwarte katten opdagen, die geweldig te keer gingen. Tussen al die zwarte katten was een kat, die niet zwart maar lichtbruin gevlekt was. De jongen wist meteen dat deze kat zijn meisje was, want zij had dit uit haar droom verteld. Plotseling sprong de jongen tussen de katten, nam de bonte kat op en vluchtte ermee weg, het kerkhof af.
Toen hij zo een poosje had voortgelopen, zei het katje: 'Dank je wel, liefste,' en op hetzelfde moment was zij verdwenen. Toen de jongen even later bij het huis van het meisje kwam, zat zij reeds op hem te wachten. De betovering was verbroken en het meisje heeft nooit meer last van angstige dromen gehad.
Onderwerp
SINSAG 0501 - Der Katzentanz   
Beschrijving
Terwijl jongen en meisje bij elkaar zitten valt het meisje in slaap. Bij kattengejammer buiten vliegt iets uit het meisje naar buiten, dat later weer terugkomt en oplost in het meisje. Ze ontwaakt en vertelt dat ze heeft gedroomd dat ze als bonte kat op het kerkhof moest dansen in gezelschap van veel zwarte katten. Als een paar dagen later het weer gebeurt gaat de jongen naar het kerkhof waar tussen zwarte katten een bonte kat zit. Hij neemt haar mee, de kat verdwijnt. Bij haar huis wacht het meisje hem al op. De betovering was gebroken.
Bron
B. Janssen: Het Dansmeisje en De Lindepater - Sagen en legenden uit Kempen, Meierij en Peel. Maasbree 1978, p. 15-16.
Commentaar
1978
Der Katzentanz
Plaats van Handelen
Woensel (Noord-Brabant)   
Kloekenummer in tekst
L226p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
