Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2001 - Van grooten Oege en kleinen Oege

Een mop (boek), 1896

Hoofdtekst

Van grooten Oege en kleinen Oege.
Er waren eens twee broeders die heetten beide Oege. De een was groot en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had wel dertig koeien; kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster.
Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine man zeî: «Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn buurman, die is rijk.» - De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen, maar deze zeî: «Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg om zelf aan den kost te komen.» - «En je buurman zegt, ge zijt een rijke boer,» zeî de bedelaar. - Dit maakte den grooten domkop wrevelig, hij zeî: «Wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf zenden? Dat zal ik hem betaald zetten.» - In zijn dollen drift liep hij naar den weg waar de koe van kleinen Oege liep grazen, trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af. Kleine Oege dorst hier niets tegen doen; hij vilde de koe, zoutte het vleesch in en begaf zich des namiddags op weg naar de stad om daar de huid te verkoopen.
Zijn weg leidde door een groot bosch; op eene eenzame plaats gekomen, zag hij van verre eenige gauwdieven onder eenen boom zitten geld tellen. Eerst verschrikte hij, maar hij herstelde zich spoedig. Hij sloeg de koehuid om zoodat zijn gansche lichaam bedekt was en de hoornen boven zijn hoofd uitstaken. Aldus naderde hij de roovers en begon vervaarlijk te schreeuwen. De mannen namen verschrikt en met overhaasting de vlucht en lieten hun geld in den steek. Kleine Oege pakte dit heel vlug in; hij kon den hoop nauwelijks dragen. Om de koehuid bekommerde hij zich niet meer maar keerde naar huis.
Hij liet grooten Oege het geld zien en zeî: «Kijk nu eens aan hoe duur de koehuiden in de stad worden betaald; zooveel geld heb ik voor de mijne gekregen.» «Dat kan niet waar zijn,» zeî de groote ongeloovig. - «En vanwaar zou ik dan zooveel geld hebben?» vroeg de kleine.
Groote Oege meende in te zien dat het toch wel waar moest zijn; hij zeî: «Als 't zoo staat ga ik al mijne koeien slachten.» En hij deed het werkelijk, en verzocht zelfs den kleinen snaak om hem te helpen, wat deze gaarne deed. Toen de beesten allen waren gevild laadde groote Oege op zijn breeden sterken rug eene vracht koehuiden zoo groot en zwaar als hij maar torschen kon en ging er meê naar de stad. Onderweg vernam hij niets van gauwdieven of iets dergelijks, en kwam ongehinderd in de stad. - Daar liep hij langs de straat en schreeuwde zoo hard hij kon: «Koehuiden koop! koehuiden koop!» - De straatjongens riepen elkander toe: «Wat scheelt dien lompen boer? Hij lijkt wel gek!» Zij wierpen hem met slijk en maakten 't hem zoo lastig dat hij spoedig de stad verliet zonder zijne huiden te hebben verkocht.
Toen hij terug kwam was hij woedend op kleinen Oege. «Je hebt mij bedrogen, leelijkert!» zeî hij, «maar dat zal je slecht bekomen; vannacht als ge te slapen ligt zal ik je vermoorden.»
Kleine Oege lachte alsof hij wilde zeggen: «Dat doe je toch niet,» maar eigenlijk achtte hij den dolkop er best toe in staat. Daarom zeî hij 's avonds tot zijne grootmoeder: «Beppe, ik kan daar op dat bed niet meer rustig slapen, want er zijn muizen in het stroo, die maken 's nachts zoo'n leven. Gij zijt doof en hebt daarvan dus geen last; zouden wij niet kunnen ruilen met slaapplaatsen?»
Grootmoeder was goedig en had er niets tegen. Maar Oege zorgde zijne muilen te plaatsen voor het bed waar zij altijd hadden gestaan en die van grootmoeder ook.
Des nachts kwam groote Oege; hij wist wel waar de slaapplaats van kleinen.Oege was en zonder het te weten of te willen doodde hij de oude grootmoeder.
Kleine Oege stond 's morgens zeer vroeg op; wat gebeurd was had hij verwacht. Hij droeg het doode mensch in een schuitje, nam ook een mandje met eieren meê en voer toen naar de stad. Daar gekomen plaatste hij de doode vrouw op een stoel op de markt en zette het mandje met eieren naast haar. Nu ging hij om een hoekje staan oppassen wat er zou gebeuren.
Het duurde niet lang of daar kwam een heer voorbij wandelen; hy keek naar het mandje en vroeg: «Wat kosten die eieren, vrouw?» Geen antwoord. - Nogmaals: «Wat kosten die eieren, vrouw?» Alweêr geen antwoord. De man bracht zijn mond aan haar oor en riep hard: «Wat kosten die eieren, vrouw?» Zij zweeg. Hij werd driftig, en terwijl hij zeî: «Kun je niet spreken, oud nest?» gaf hij haar een duw dat zij van den stoel viel en bewegingloos op den grond bleef liggen.
Daar kwam kleine Oege aangeloopen roepende: «Gij hebt mijn oude grootmoeder doodgeslagen, dat zal ik bij den rechter aangeven.» «Hou je stil!» zeî de heer: «hier is mijn geldbeurs, neem die.» «Je geldbeurs! Denk je dat ik voor zulk een kleinigheid mijn oude grootmoeder wil missen?» «Nu, je zult meer hebben; stop dat lijk maar weg en kom meê naar mijn huis.» Daar was 't Oege juist om te doen. Hij bracht beppe weêr in het schuitje, dekte haar goed toe en ging met den heer naar diens huis, waar hem eene aanzienlijke som werd toegeteld.
Op de terugreis begroef hij zijn oude grootmoeder op eene eenzame plaats. Toen hij tehuis kwam keek groote Oege verbaasd op en zeî: «Leef jij nog? Ik heb je immers vermoord.» «Ja, dat kun je wel meenen,» zeî kleine Oege, «maar daar was ik te wijs voor. Je hebt mijn oude grootmoeder vermoord en ik heb haar vandaag in de stad verkocht. Kijk eens hier, welk een hoop geld ik voor haar heb gekregen.» «Nu maar, dat lieg je nu weêr,» zeî groote
Oege; «ik laat mij niet voor de tweede maal zoo iets wijs maken.» «Zou ik dat liegen? Weet je dan niet dat in de stad geleerde lui wonen die lijken koopen en opensnijden om te weten hoe een mensch van binnen is?» Ja, daar had groote Oege wel eens van gehoord. Hij zeî: «Het scheelt mij niet veel of ik maak mijne oude grootmoeder ook dood.» En waarlijk! hij deed het. Met het doode mensch op den rug sjouwde hij naar de stad. Daar deed hij weêr evenals met de koehuiden; langs straat loopende riep hij: «Oude beppe koop! Oude beppe koop!» - Maar het verging hem zoo mogelijk nog slechter dan den eersten keer. Hij werd zoo danig uitgejouwd on met slijk geworpen dat hij zich spoedig moest wegpakken.
Ten uiterste vertoornd kwam hij tehuis en zeî: «Je hebt inij immers al weêr bedrogen, leelijke schurk! Maar nu zal ik je verdrinken, dat je voor goed verdronken raakt.» Hij pakte kleinen Oege, eer deze 't had verwacht; bij den kraag, stopte hem in een zak en liep met hem weg naar de zee. Maar onderweg schoot hem te binnen dat hij een langen stok diende te hebben om den zak onder water te kunnen duwen, en ver van den oever af te houden. Ter zijde van den weg waren twee slootgravers aan het werk; dezen vroeg hij of zij even op zijnen zak met goed wilden letten terwijl hij een stok ging halen. De slootgravers, een weinig nieuwsgierig, openden intusschen den zak om te zien wat er in was en daar zagen ze kleinen Oege. Deze zeî: «Hij wil mij verdrinken, laat mij loopen en vul den zak met slijk en steenen.» - De mannen deden dit gaarne en de kleine snaak nam de vlucht.
Groote Oege kwam terug, slingerde den zak weêr op den rug en ging zeewaarts. Het duurde niet lang toen liep het vuile water uit den zak langs zijn lichaam naar beneden. «Ja,» zeî hij bij zichzelven, «ik wil wel gelooven dat je 't benauwd hebt, maar je zult je lot nu niet ontkomen.» - Bij de zee gekomen plonsde hij den zak in het water en deze zonk oogenblikkelijk naar de diepte. «Ik had waarlijk geen stok behoeven te halen,» zeî hij. Verheugd dat hij nu voor altijd van den kleinen deugniet was ontslagen keerde hij huiswaarts.
Kleine Oege sloeg den weg in naar de stad, peinzende hoe hij nu aan den kost zoude komen. Het gelukte hem onderweg een kraai te vangen, dien hij in een zak stopte en meênam. Nabij de stad zag hij een heerenhuis dat voor een der buitendeuren een luifel had en onmiddellijk daarboven een venstertje. Oege klom op de luifel en zag door het venstertje in een vertrek dat de keuken bleek te zijn. De meid was bezig een gebraad gereed te maken en de knecht bakte een poffert. Oege gevoelde wel trek om daarvan meê te smullen, want hij had honger. Maar 't scheen dat die twee daar verboden werk verrichtten, want toen ze nabij de keuken gerucht van menschen vernamen bergden ze haastig en eenigszins angstig gebraad en poffert beide in de kast. Oege klom weêr naar beneden en klopte aan de deur. De heer des huizes deed zelf open en vroeg den kleinen man wat hij verlangde «Mijnheer» zeî Oege, «ik heb in dezen zak een waarzeggenden geest en nu kom ik vragen of mijnheer daarvan misschien ook gediend wenscht te zijn.» Onderwijl kneep hij den vogel zoo fel dat deze een angstig geluid liet hooren. «Daar versta ik niets van,» zeî mijnheer. «Dat weet ik,» zeî Oege, «maar ik versta het wel. Alleen hij die dezen geest in eigendom heeft verstaat zijne taal, anderen niet. Gesteld ik verkocht hem aan u, mijnheer, dan zoudt gij hem kunnen verstaan en ik niet meer.» «Dat is zeer merkwaardig,» zeî mijnheer «maar wat zeî hij dan zooeven?» «Hij zeî, dat er een lekker gebraad in de keukenkast staat,» antwoordde Oege. «Als 't waar is,» zeî mijnheer, «zult gij er op worden onthaald; we zullen 't onmiddellijk onderzoeken. Maar laat den geest nog eens iets zeggen.» Oege liet den kraai op nieuw schreeuwen en mijnheer vroeg: «Wat zegt hij nu?» «Hij zegt, dat er ook een poffert in de kast staat.» «Kom, daar moeten wij 't rechte van weten,» zeî mijnheer. De kast werd geopend en het bleek waarheid te zijn wat de geest gezegd had. Mijnheer behoefde niet te vragen hoe die spijzen daar gekomen waren; de knecht en de meid stonden bedremmeld. Zij werden niet alleen hard bekeven, maar ook weggejaagd en Oege werd onthaald op den poffert met het gebraad. «Maar,» zeî mijnheer, «nu moest gij mij dien waarzeggenden geest verkoopen.» «Mijnheer, dat gaat niet,» zeî Oege schouderophalend, «ik heb anders niets om den kost meê te verdienen.» De heer hield echter aan en bood eindelijk zoo buitensporig veel, dat Oege besloot zijne kraai af te staan. Maar nu achtte hij 't ook raadzaam haastig te vertrekken en reisde naar huis.
Groote Oege was buiten zich zelven van verbazing toen hij den kleinen man weêr levend vóór zich zag. «Wel verbruid! hoe heb ik het toch met jou?» riep hij uit. «Ik heb je immers verdronken.» «Ja, je hebt mij verdronken,» zeî kleine Oege. «En toen ben ik in de andere wereld gekomen, daar heb ik een vrachtje geld meê vandaan genomen, zooals gij hier zien kunt. Het ligt daar overal op den weg zoo maar voor het grijpen.» «Ik zou moeten denken dat je mij weêr wat voorliegt,» zeî groote Oege, «maar ik heb je toch met mijn eigen handen in het water geworpen en met mijn eigen oogen heb ik gezien dat je in de diepte der zee zijt weggezonken. Daarom valt hier waarlijk aan geen bedrog te denken. Als het daar in die andere wereld zoo staat als gij zegt, zou ik er ook wel eens voor een poosje willen zijn.» «Welnu, gij kunt er komen, langs denzelfden weg dien ik gegaan ben. Gij moet in een zak; maar ik kan u niet naar den zeeoever dragen.» «Dat is geen zwarigheid. Span mijn paard maar voor de kar. Ik kruip in een zak en ga op de kar liggen; als gij dan maar zoo goed wilt zijn mij naar de zee te rijden en in het water te werpen.» «Dezen dienst wil ik je wel bewijzen,» zeî de kleine schelm. De groote domoor werd naar de zee gereden en in het water geworpen. Hij verdronk - voor goed ook. Hij is nooit terug gekomen.
Kleine Oege werd nu bezitter van alles wat zijn broeder naliet. En hij heeft nog lang en gelukkig geleefd.

Onderwerp

AT 1535 - The Rich and the poor Peasant    AT 1535 - The Rich and the poor Peasant   

ATU 1535 - The Rich and the Poor Farmer.    ATU 1535 - The Rich and the Poor Farmer.   

Beschrijving

Twee broers, die beide Oege heten, zijn boer. Groote Oege is rijk, groot en sterk maar ook dom en lomp. Kleine Oege is arm en nietig, maar erg slim. Door listigheid weet hij geld te bemachtigen, wat Groote Oege jaloers maakt. Groote Oege laat zich steeds foppen door kleine Oege en probeert hem uit wraak tot twee keer toe te doden. De eerste maal doodt hij Kleine Oeges grootmoeder in de veronderstelling dat hij Kleine Oege voor zich heeft. De tweede maal probeert hij zijn broer te verdrinken, maar deze weet door een list te ontkomen en onderweg naar huis wederom rijkdommen te verwerven door een rijke heer te foppen. Wanneer Kleine Oege hem wijsmaakt dat op de bodem van de zee veel rijkdommen te bemachtigen zijn, laat Groote Oege zich door Kleine Oege in de zee werpen. Groote Oege verdrinkt en Kleine Oege wordt de eigenaar van zijn broers bezittingen.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 3-7.

Motief

K335.1 - Robbers frightened from goods.    K335.1 - Robbers frightened from goods.   

K1840

K2152 - Unresponsive corpse.    K2152 - Unresponsive corpse.   

K114 - Pseudo-magic oracular object sold.    K114 - Pseudo-magic oracular object sold.   

K1040 - Dupe otherwise persuaded to voluntary self-injury.    K1040 - Dupe otherwise persuaded to voluntary self-injury.   

Commentaar

1896
Waling Dykstra publiceerde dit verhaal in 1853 in het tijdschrift Iduna in het Fries, met als titel "Greate Oege end Litze Oege". Het verhaalverloop is hetzelfde, maar er zijn kleine verschillen op te merken in de beschrijvingen. (Iduna, 1853, no9, 81-90)
The Rich and the poor Peasant

Naam Overig in Tekst

Oege    Oege   

[Grootoog]    [Grootoog]   

[Kleinoog]    [Kleinoog]   

Kleine Oege    Kleine Oege   

Groote Oege    Groote Oege   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20