Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2006 - Van een dienstmeid en een gauwdief

Een sprookje (boek), 1896

Hoofdtekst

Van een dienstmeid en een gauwdief.
Een edelman en zijne vrouw, die op een eenzaam slot woonden, gingen voor een lange poos op reis en lieten de dienstmeid alleen tehuis met een klein hondje.
Het slot stond zoo afgelegen dat er dikwijls een dag verliep waarop men geen mensch te zien kreeg. Maar de meid had veel gezelligheid aan het hondje; tegen hem praatte zij als tegen een mensch. Op zekeren avond zeî ze: «kom, mijn hondje, wij zijn hier nu met ons beiden, nu willen we vanavond maar eens pannekoeken eten.»
Maar onder het kabinet lag een groot forsch man, die ongemerkt in huis was geslopen, en deze zeî: «Neen, je bent hier niet met je beiden; ik ben er ook.»
De meid verschrikte wel hevig, maar herstelde zich spoedig; schijnbaar kalm en vriendelijk zeide ze: «Welnu, dan moet jij ook maar meê pannekoeken eten.»
Nu kwam de man van onder het kabinet. Zij aten samen pannekoeken en na afloop van den maaltijd zeî hij: «Ik ben hier eigenlikk gekomen om flink te stelen, want ik wist dat je alleen tehuis zijt. En als je mij nu behulpzaam wilt zijn, dan gaat alles goed, maar zoo niet, dan moet ik je eerst van kant maken.»
«O, ik wil je gaarne helpen,» zeî de meid, «want ik heb hier een zoo slechten dienst dat het niet veel erger kan. Ik heb er reeds aan gedacht om zelf met een goeden buit er van door te gaan.»
Zij ging nu met hem het geheele huis door, en al het geld en alle kostbaarheden van goud, zilver en juweel, die zij maar konden vinden, brachten ze bijeen en stopten er zakken meê vol.
«Nu dienden die zakken wel goed te worden dichtgebonden,» zeî de gauwdief «heb je geen touw?»
«Touw?» zeî ze, «jawel! In het zomerhuisje, dat daar in den tuin staat, hangt overvloed van touw. Als gij zoo goed wilt zijn daar iets van te halen, wil ik nog eens zoeken om geld ik meen nog ene verborgene plaats te weten.»
Niets kwaads vermoedende liet hij zich de deur openen en het zomerhuisje wijzen, en ging daarheen. Maar toen hij terugkwam was de deur gesloten en hij mocht er buiten blijven. Hoe hij begon te vloeken, te schelden en geweld te maken, het hielp niets. Dit inziende, zakte hij eindelijk af. Maar de meid ging niet naar bed, want zij vreesde dat het hiermede niet zoude afloopen. In het holle van den nacht kwam de gauwdief terug, met een zestal kameraden. Nu begonnen zij den dorpel der deur te ondergraven. Maar de meid, die begreep wat er gaande was, stond aan de binnenzijde gewapend met een grooten, scherpen bijl. Zoodra het gat groot genoeg was om een mensch door te laten, meende een der mannen naar binnen te kruipen; doch de meid nam haar slag waar en hieuw hem den kop af. Toen zijne kameraden opmerkten dat hij niet vorderde, trokken zij hem terug en zagen nu met groote verbazing dat hij zijn hoofd had verloren. Nogtans waagde een tweede naar binnen te kruipen, maar ook hij verloor den kop. En toch ondernam ook een derde het waagstuk. Maar nu was de meid wat te haastig, zij sloeg eer het tijd was, zoodat de man slechts een schijfje boven van zijn hoofd kwijt geraakte. «Trekt terug! trekt terug!» riep hij en zijne makkers trokken hem terug. - Nu gaven de gauwdieven den moed verloren en gingen heen.
De twee afgehouwen koppen zette de meid als zegeteekenen op het kabinet te pronk, en toen de edelman en zijne vrouw terugkwamen, hoorden zij het verhaal der meid met verbazing aan en waren van mening, dat zulk een moed en vastheradenheid buitengewoon behoorde te worden beloond. Zij beschonken het meisje met zooveel geld dat deze onbezorgd konde leven en nu ging zij alleen in een net huisje wonen.
Al spoedig kreeg zij vrijers bij de menigte, maar zij wilde met niemand te doen hebben, want zij dacht: «zij komen maar om mijn geld.» - Maar eens kwam een net gekleed jonkman met paard en sjees haar bezoeken, en op dezen verliefde zij terstond. Hij stelde haar voor met hem uit rijden te gaan en zij liet zich spoedig overhalen. Zij nam plaats naast hem op de sjees en zij reden samen heen. Zij vroeg hem waarheen zij zouden reizen, maar dit wilde hij haar niet recht duidelijk maken. Zij reden zoo lang tot het avond werd en toen begon hij te zingen:

"Het maantje schijnt zoo helder,
Mijn paardje, loop wat snelder!

Ach, mooi meisje, berouwt het je niet?» - «Neen,» zeî ze, «waarom zou het mij berouwen? Dan had ik niet meê moeten gaan. Zijn we er haast?» - «Nog een eindje,» zeide de vrijer. Toen zij nog eene poos hadden gereden woei hem zijn hoed af en nu zag zij dat hij een zilveren plaatje in den vorm van een dekseltje boven op het hoofd had. Dit gaf haar te denken en zij begreep dat hij niemand anders was dan de gauwdief, dien zij eens een schijfje van het hoofd had afgeslagen. Hij zette den hoed weêr op en even daarna zong hij weêr:

"Het maantje schijnt zoo helder,
Mijn paardje, loop wat snelder!

Ach, mooi meisje, berouwt het je niet?» - «Neen,» zeî ze, «waarom zou het mij berouwen? Dan had ik niet meê moeten gaan. Zijn wij er haast?» - «Nog een eindje,» was 't antwoord. Ten laatste kwamen zij bij een zeer groot huis dat eenzaam midden in een groot bosch stond. En de vrijer zeide: «Nu zijn wij er!»
Hij bracht haar binnen en leidde haar een trap op naar boven. Daar waren een aantal kamers op een rij; de gauwdief zeide, zij moest al die vertrekken maar eens bezien, en toen liet hij haar alleen. De kamer waarin zij het eerst kwam was geheel behangen en versierd met goud- en zilverwerken. Daarop volgde een die hing vol prachtige kleêren, en een derde was van onder tot boven behangen met moordpriemen, scherpe messen, pistolen en meer dergelijk gereedschap. Daarop kwam zij in een kamer waar een ontzaglijk groot vuur op den haard brandde en daarboven hing een monsterachtig groote ketel vol kokende olie. In de daaraan volgende kamer zat een oud vrouwtje te darmscheiden en die zeide; «Het mag u wel spijten dat gij hier zijt, want het kan best gebeuren, dat ik binnenkort uwe darmen ook zal moeten scheiden en dat uw vleesch in dien grooten ketel met olie zal worden gekookt.»
Het meisje antwoordde niets, maar wandelde verder. Nu kwam zij eindelijk in een kamer die de grootste was van allen. Daar waren vijftien vensters naast elkander en voor veertien daarvan hing een lijk. Zij ging voor het vijftiende staan en dacht: «Zou hier misschien mijne plaats zijn?» Maar zij nam een kort besluit, schoof het raam op en sprong er uit. Zij kwam in een oude gracht terecht en klauterde spoedig aan den overkant op den wal. Nu liep zij snel vandaar, maar wist niet waar zich te bergen, want zij vreesde ieder oogenblik te zullen worden vervolgd. In de verte zag zij een boer die een wagen beladen met hooi reed. Zij haalde hem in en smeekte, haar onder het hooi te verbergen. «Dat wil ik gaarne doen,» was zijn antwoord, «maar hoe leg ik het aan?» Het meisje zeî: «Werp eerst het hooi van den wagen, leg er dan een landhek op, zoodat ik mij e onder kan verschuilen en laad daar het hooi weêr over heen.» Zoo gezegd, zoo gedaan; het werk werd met den meesten spoed verricht en de boer reed bedaard verder. Maar weldra werd ingehaald door drie mannen, ieder met een blanken sabel in de vuist. Zij vroegen hem of hij ook eene meid had zien loopen, zus en zoo. - Neen, hij had niets gezien. - Of zij dan wel met hunne sabels naar welgevallen in zijn hooi mochten steken? - Ja, waarom niet? - Zij staken met de sabels aan alle kanten in het hooi, maar stootten telkens op het hek en dan meenden zij op den bodem van den wagen te zijn. Zoo geloofden zij eindelijk daar niet te zullen vinden wat zij zochten, en keerden terug.
De boer bracht eerst zijn hooi tehuis en toen reed hij met het meisje naar hare woning, en het meisje beloonde hem uitermate goed.

Onderwerp

AT 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers    AT 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers   

ATU 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers.    ATU 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers.   

Beschrijving

Een dienstmeid is alleen thuis als er een rover binnensluipt die het huis leeg wil roven. De dienstmeid weet hem met een list buiten te sluiten. De rover roept de hulp in van zijn vrienden en probeert zich een weg naar binnen te verschaffen door onder de drempel door te graven. Van de eerste twee dieven die proberen binnen te dringen slaat de dienstmeid het hoofd af. De derde rover verliest slechts een schijfje van zijn hoofd en de rovers vluchten. De meid wordt voor haar moed beloond. Op een dag wordt ze verliefd op een man die haar mee uit rijden neemt. Onderweg waait zijn hoed af en is te zien dat de man een zilveren plaatje op zijn hoofd draagt. De meid beseft dat dit de derde rover moet zijn. De rover brengt haar naar een rovershuis. De meis weet te vluchten door uit een raam te springen. Ze treft een boer met een hooiwagen. Ze verstopt zich onder een hek dat de boer bedekt met hooi. Als de rovers met hun sabels in het hooi steken om te kijken of zich daar iemand verschuilt, vinden ze de meid niet en ze weet ongedeerd te ontkomen.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 18-21.

Motief

K912 - Robbers’ (giants‘) heads cut off one by one as they enter house.    K912 - Robbers’ (giants‘) heads cut off one by one as they enter house.   

Q411.1 - Punishment: winning as wife and then killing.    Q411.1 - Punishment: winning as wife and then killing.   

Commentaar

1896

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20