Hoofdtekst
De ijzeren man.
Een krijgsman, die vele jaren in den oorlog had gediend, kreeg eindelijk zijn bekomst er van en nam zijn ontslag. Nu ging hij de wijde wereld in om zijn geluk te beproeven, zonder eigenlijk te weten waarheen hij wilde reizen. Zoo kwam hij in eene eenzame wildernis bij een rots, waarbij eene oude vrouw, naar ’t wel scheen, de wacht hield. Hij vroeg haar of zij ook wist hoe hij aan geld en mondkost zou kunnen komen. «Dat zal gemakkelijk gaan,» antwoordde zij, «als gij mij maar wat wilt helpen.»
In de rots was eene opening en daarin een lange trap naar beneden, die ook kon worden weggenomen en de oude vrouw zeide: «dezen trap af, dan zult gij, in de diepte een gang doorgaande, in een. kamer komen, waar gij niets zult vinden dan zilvergeld. Laat dit onaangeroerd en ga door naar eene andere, waar overvloed van goudgeld opgehoopt ligt. Ook dit moogt gij niet aanraken; maar ga verder, dan komt gij in de derde kamer, en daar ligt op eene' tafel een ijzeren man uitgestrekt. Hef even zijn hoofd op, dan zult gij daar onder een tondeldoos met vuurslag vinden. Neem dit weg en leg het hoofd weêr neder zooals het heeft gelegen. Is dit gedaan dan moogt gij zooveel goudgeld nemen als gij maar kunt meêdragen. Kom dan weêr boven en stel mij de tondeldoos met het vuurslag ter hand; het geld moogt gij behouden.»
De oude soldaat, die geen vrees kende, stond niet lang in beraad, maar daalde den trap af. Hij bevond alles zooals de oude vrouw gezegd had. Hij nam de tondeldoos met het vuurslag in bezit, voorzag zich daarop ruim van goudgeld en zocht toen den trap weêr op. Maar toen hij naar boven wilde gaan, riep de oude vrouw hem toe, dat hij haar eerst het vuurslag-gereedschap moest geven. Hij zeide, dit te zullen doen als hij boven was. Nu wilde zij den trap optrekken, maar hij, niet loom, greep de onderste trede, klom er op en was spoedig boven. Het oude wijf was boos, zij beval hem haar spoedig het vuurgereedschap af te staan, of zij zou hem in de diepte terug werpen, waar hij dan verhongeren kon. Maar de krijgsman, in plaats van dit bevel op te volgen, gaf haar een pak slagen dat ze niet meer staan kon, en liet haar toen aan haar lot over.
Hij ging thans naar de naastbiigelegen stad; daar legde hij zijn soldatenpak af en kleedde zich als edelman. Hij nam zijn intrek in de voornaamste herberg, huurde een knecht voor zich alleen en leefde zeer rijk. Maar dit had nog maar weinige weken geduurd, toen bezat hij reeds geen rooden duit meer. De knecht, geen sober leven gewoon, had nu 't plezier er af en liep weg. De waard, altijd zeer vriendelijk en voorkomend, mits hij naar eisch betaald werd, begon nu ook een anderen toon aan te slaan. Hij sloot den soldaat in een kamertje op, om bij den rechter te onderzoeken, hoe hij met zulk een oplichter - naar hij zeide - had te handelen.
De soldaat had in zijne gevangenis niets dan een armzalig bed, een tafeltje en een stoel. Het eten en drinken was uiterst slecht. Vuur mocht hij in zijn vertrek niet hebben; hij kon dus ook niet roken, en daar was hij een hartstochtelijk beminnaar van. Liet hij den waard eens bij zich komen en verzocht hij iets beter bediend te worden, dan werd hij onder een vloed van vloek- en scheldwoorden met een pak slagen bedreigd. Wat zou hij doen? Geduldig dragen was maar het beste.
Op een avond zat hij te peinzen; het was duister en men onthield hem het zoo gewenschte licht. Nu herinnerde hij zich dat hij het vuurslag-gereedschap uit de onderaardsche gewelven nog had. «Laat mij vuur slaan,» dacht hij, dan kan ik toch eens rooken. Hij sloeg vuur, en ziedaar! zonder dat hij iets vernomen had, stond de ijzeren man voor hem en vroeg wat hij begeerde. De soldaat verschrikte, maar de man zeide: «gij hebt mij met het vuurslaan opgeroepen, en kunt nu van mij verkrijgen wat gij verlangt.» - «Welnu, dan maar een zak vol goudgeld,» zeî de soldaat.
De ijzeren man verdween, maar kwam na weinige oogenblikken terug met een zak vol goudgeld. Nu klopte de soldaat op de deur, teneinde bedienden te doen komen. De waard zond er twee op af met het bevel: «Ransel dien levenmaker duchtig af, dan kan hij leeren zich rustig te houden.»
De bedienden openden de deur en zetten groote oogen op; de soldaat zat goudgeld te tellen. Nu was spoedig de vriendschap op nieuw gesloten. De soldaat betaalde gaarne wat meer dan hij schuldig was en de waard was weêr de voorkomendheid in eigen persoon.
De oude krijgsman was nu nog veel rijker dan te voren, Hij mocht den ijzeren man oproepen zoo dikwijls hij wilde en kon geld krijgen zooveel hij verlangde. En hij leefde weêr rijk en voornaam. Nu gebeurde 't eens dat de koning eene groote geldleening liet uitschrijven. Er werd zulk een groote som gevraagd, dat ieder dacht, het kan er niet komen. Maar de rijke oude soldaat ging naar den koning en zeî: «Die som gelds kan ik alleen wel schikken en niet om u te leenen, maar ik schenk ze u.» Zulk een aanbod en zulk een rijkdom verbaasden natuurlijk ieder, en de schatrijke man werd het voorwerp der algemeene bewondering en vereering.
Nu had de koning een zeer mooie dochter en de oude soldaat verliefde op haar. Hij kon haar echter bezwaarlijk ten huwelijk vragen omdat men hem zoo weinig kende en hij zich liefst niet naar waarheid bekend maakte. Hij klaagde zijn nood aan den ijzeren man en vroeg hem of hij haar 's nachts niet heimelijk bij hem kon brengen. - Niets was gemakkelijker en het gebeurde nu iederen nacht. De prinses klaagde bij haren vader dat zij 's nachts als zij sliep uit haar bed werd opgenomen en naar een ander huis overgebracht, zonder dat zij zeggen kon hoe dit ging en wie dit deed. De koning en zijne wijzen gaven haar den raad, dat zij op de deur van het onbekende huis een kruis moest schrijven, als zij er weêr uitgebracht werd. Zij deed dit. Maar toen men door dit middel des anderen morgens het huis dacht te vinden, ontdekte men dat op alle huisdeuren kruisen stonden. Dit had de ijzeren man gedaan. Nu gaf de koning haar den raad, een kluwen wollen garen meê te nemen, deze in het vreemde huis te laten vallen en den draad in de hand te houden als zij weêr naar het paleis werd gebracht. Dan zou men, dien draad volgende, het huis zeker vinden. Alweêr mis! Des anderen morgens liepen er draden naar alle huizen, er lag een spinrag van garen door de stad. Den derden dag zeî de koning, zij moest een zakje met meel meênemen en dit uitstorten voor het huis waarin zij ongevraagd gebracht werd. Ook dit werd gedaan en nu zeide de ijzeren man: «Laat het geheim nu maar ontdekt worden.» - Het uitgestorte meel wees des anderen morgens het huis aan. En dit was het huis van den schatrijken man, die het land uit den geldnood had gered. De koning zeide hem, dat hij zoo niet had behoeven te handelen; hij konde met alle liefde de prinses tot zijne vrouw krijgen. Dit geschiedde en zoo werd de arme soldaat van weleer een machtig prins. Zij leefden genoegelijk, want geld hadden ze nooit gebrek.
Zij waren reeds zeven jaar getrouwd geweest, toen zij op zekeren avond genoegelijk bij elkander zaten. Daar stond op eens de ijzeren man achter hen. Hij zeide: «Reeds zeven jaren gelukkig geweest en in al dien tijd niet aan mij gedacht! Maak je gereed, neem afscheid van alles wat je lief is en volg mij. De tijd van ons beider ongeluk is daar, als gij niet nauwkeurig volbrengt wat ik zal zeg- gen.» De prins werd zeer verschrikt. Toch deed hij wat de ijzeren man verlangde; zij gingen samen op reis. Zij kwamen bij dezelfde rots, waaruit de prins eenige jaren geleden het vuurslaggereedschap had gehaald. De ijzeren man zeide: «Heden avond komen hier zes geesten met een groot zwaard om mij het hoofd af te slaan. Drie andere geesten komen met eene kist waarin zij mijn lichaam zullen bergen. Zorg gij dan mijn hoofd er bij te leggen op de plaats waar het behoort; dan zijn wij gered. Doet ge 't niet, dan zijn wij verloren.» De prins deed zooals hem gezegd werd en zoodra alles was volbracht, stond er een schoone jonge prins achter hem. Deze vertelde dat hij de ijzeren man was geweest en ten gevolge eener verwensching jarenlang in den staat van betoovering had moeten doorbrengen. Zij reisden nu tezamen welgemoed naar de hofstad.
Een krijgsman, die vele jaren in den oorlog had gediend, kreeg eindelijk zijn bekomst er van en nam zijn ontslag. Nu ging hij de wijde wereld in om zijn geluk te beproeven, zonder eigenlijk te weten waarheen hij wilde reizen. Zoo kwam hij in eene eenzame wildernis bij een rots, waarbij eene oude vrouw, naar ’t wel scheen, de wacht hield. Hij vroeg haar of zij ook wist hoe hij aan geld en mondkost zou kunnen komen. «Dat zal gemakkelijk gaan,» antwoordde zij, «als gij mij maar wat wilt helpen.»
In de rots was eene opening en daarin een lange trap naar beneden, die ook kon worden weggenomen en de oude vrouw zeide: «dezen trap af, dan zult gij, in de diepte een gang doorgaande, in een. kamer komen, waar gij niets zult vinden dan zilvergeld. Laat dit onaangeroerd en ga door naar eene andere, waar overvloed van goudgeld opgehoopt ligt. Ook dit moogt gij niet aanraken; maar ga verder, dan komt gij in de derde kamer, en daar ligt op eene' tafel een ijzeren man uitgestrekt. Hef even zijn hoofd op, dan zult gij daar onder een tondeldoos met vuurslag vinden. Neem dit weg en leg het hoofd weêr neder zooals het heeft gelegen. Is dit gedaan dan moogt gij zooveel goudgeld nemen als gij maar kunt meêdragen. Kom dan weêr boven en stel mij de tondeldoos met het vuurslag ter hand; het geld moogt gij behouden.»
De oude soldaat, die geen vrees kende, stond niet lang in beraad, maar daalde den trap af. Hij bevond alles zooals de oude vrouw gezegd had. Hij nam de tondeldoos met het vuurslag in bezit, voorzag zich daarop ruim van goudgeld en zocht toen den trap weêr op. Maar toen hij naar boven wilde gaan, riep de oude vrouw hem toe, dat hij haar eerst het vuurslag-gereedschap moest geven. Hij zeide, dit te zullen doen als hij boven was. Nu wilde zij den trap optrekken, maar hij, niet loom, greep de onderste trede, klom er op en was spoedig boven. Het oude wijf was boos, zij beval hem haar spoedig het vuurgereedschap af te staan, of zij zou hem in de diepte terug werpen, waar hij dan verhongeren kon. Maar de krijgsman, in plaats van dit bevel op te volgen, gaf haar een pak slagen dat ze niet meer staan kon, en liet haar toen aan haar lot over.
Hij ging thans naar de naastbiigelegen stad; daar legde hij zijn soldatenpak af en kleedde zich als edelman. Hij nam zijn intrek in de voornaamste herberg, huurde een knecht voor zich alleen en leefde zeer rijk. Maar dit had nog maar weinige weken geduurd, toen bezat hij reeds geen rooden duit meer. De knecht, geen sober leven gewoon, had nu 't plezier er af en liep weg. De waard, altijd zeer vriendelijk en voorkomend, mits hij naar eisch betaald werd, begon nu ook een anderen toon aan te slaan. Hij sloot den soldaat in een kamertje op, om bij den rechter te onderzoeken, hoe hij met zulk een oplichter - naar hij zeide - had te handelen.
De soldaat had in zijne gevangenis niets dan een armzalig bed, een tafeltje en een stoel. Het eten en drinken was uiterst slecht. Vuur mocht hij in zijn vertrek niet hebben; hij kon dus ook niet roken, en daar was hij een hartstochtelijk beminnaar van. Liet hij den waard eens bij zich komen en verzocht hij iets beter bediend te worden, dan werd hij onder een vloed van vloek- en scheldwoorden met een pak slagen bedreigd. Wat zou hij doen? Geduldig dragen was maar het beste.
Op een avond zat hij te peinzen; het was duister en men onthield hem het zoo gewenschte licht. Nu herinnerde hij zich dat hij het vuurslag-gereedschap uit de onderaardsche gewelven nog had. «Laat mij vuur slaan,» dacht hij, dan kan ik toch eens rooken. Hij sloeg vuur, en ziedaar! zonder dat hij iets vernomen had, stond de ijzeren man voor hem en vroeg wat hij begeerde. De soldaat verschrikte, maar de man zeide: «gij hebt mij met het vuurslaan opgeroepen, en kunt nu van mij verkrijgen wat gij verlangt.» - «Welnu, dan maar een zak vol goudgeld,» zeî de soldaat.
De ijzeren man verdween, maar kwam na weinige oogenblikken terug met een zak vol goudgeld. Nu klopte de soldaat op de deur, teneinde bedienden te doen komen. De waard zond er twee op af met het bevel: «Ransel dien levenmaker duchtig af, dan kan hij leeren zich rustig te houden.»
De bedienden openden de deur en zetten groote oogen op; de soldaat zat goudgeld te tellen. Nu was spoedig de vriendschap op nieuw gesloten. De soldaat betaalde gaarne wat meer dan hij schuldig was en de waard was weêr de voorkomendheid in eigen persoon.
De oude krijgsman was nu nog veel rijker dan te voren, Hij mocht den ijzeren man oproepen zoo dikwijls hij wilde en kon geld krijgen zooveel hij verlangde. En hij leefde weêr rijk en voornaam. Nu gebeurde 't eens dat de koning eene groote geldleening liet uitschrijven. Er werd zulk een groote som gevraagd, dat ieder dacht, het kan er niet komen. Maar de rijke oude soldaat ging naar den koning en zeî: «Die som gelds kan ik alleen wel schikken en niet om u te leenen, maar ik schenk ze u.» Zulk een aanbod en zulk een rijkdom verbaasden natuurlijk ieder, en de schatrijke man werd het voorwerp der algemeene bewondering en vereering.
Nu had de koning een zeer mooie dochter en de oude soldaat verliefde op haar. Hij kon haar echter bezwaarlijk ten huwelijk vragen omdat men hem zoo weinig kende en hij zich liefst niet naar waarheid bekend maakte. Hij klaagde zijn nood aan den ijzeren man en vroeg hem of hij haar 's nachts niet heimelijk bij hem kon brengen. - Niets was gemakkelijker en het gebeurde nu iederen nacht. De prinses klaagde bij haren vader dat zij 's nachts als zij sliep uit haar bed werd opgenomen en naar een ander huis overgebracht, zonder dat zij zeggen kon hoe dit ging en wie dit deed. De koning en zijne wijzen gaven haar den raad, dat zij op de deur van het onbekende huis een kruis moest schrijven, als zij er weêr uitgebracht werd. Zij deed dit. Maar toen men door dit middel des anderen morgens het huis dacht te vinden, ontdekte men dat op alle huisdeuren kruisen stonden. Dit had de ijzeren man gedaan. Nu gaf de koning haar den raad, een kluwen wollen garen meê te nemen, deze in het vreemde huis te laten vallen en den draad in de hand te houden als zij weêr naar het paleis werd gebracht. Dan zou men, dien draad volgende, het huis zeker vinden. Alweêr mis! Des anderen morgens liepen er draden naar alle huizen, er lag een spinrag van garen door de stad. Den derden dag zeî de koning, zij moest een zakje met meel meênemen en dit uitstorten voor het huis waarin zij ongevraagd gebracht werd. Ook dit werd gedaan en nu zeide de ijzeren man: «Laat het geheim nu maar ontdekt worden.» - Het uitgestorte meel wees des anderen morgens het huis aan. En dit was het huis van den schatrijken man, die het land uit den geldnood had gered. De koning zeide hem, dat hij zoo niet had behoeven te handelen; hij konde met alle liefde de prinses tot zijne vrouw krijgen. Dit geschiedde en zoo werd de arme soldaat van weleer een machtig prins. Zij leefden genoegelijk, want geld hadden ze nooit gebrek.
Zij waren reeds zeven jaar getrouwd geweest, toen zij op zekeren avond genoegelijk bij elkander zaten. Daar stond op eens de ijzeren man achter hen. Hij zeide: «Reeds zeven jaren gelukkig geweest en in al dien tijd niet aan mij gedacht! Maak je gereed, neem afscheid van alles wat je lief is en volg mij. De tijd van ons beider ongeluk is daar, als gij niet nauwkeurig volbrengt wat ik zal zeg- gen.» De prins werd zeer verschrikt. Toch deed hij wat de ijzeren man verlangde; zij gingen samen op reis. Zij kwamen bij dezelfde rots, waaruit de prins eenige jaren geleden het vuurslaggereedschap had gehaald. De ijzeren man zeide: «Heden avond komen hier zes geesten met een groot zwaard om mij het hoofd af te slaan. Drie andere geesten komen met eene kist waarin zij mijn lichaam zullen bergen. Zorg gij dan mijn hoofd er bij te leggen op de plaats waar het behoort; dan zijn wij gered. Doet ge 't niet, dan zijn wij verloren.» De prins deed zooals hem gezegd werd en zoodra alles was volbracht, stond er een schoone jonge prins achter hem. Deze vertelde dat hij de ijzeren man was geweest en ten gevolge eener verwensching jarenlang in den staat van betoovering had moeten doorbrengen. Zij reisden nu tezamen welgemoed naar de hofstad.
Onderwerp
AT 0562 - The Spirit in the Blue Light   
ATU 0562 - The Spirit in the Blue Light.   
Beschrijving
Een oude soldaat ontmoet een vrouwtje bij een rots. Als hij in de rots afdaalt en haar de tondeldoos met vuurslag geeft die hij onder het hoofd van een ijzeren man zal vinden, mag hij zo veel goud meenemen als hij wil. De soldaat houdt zowel het goud als de vuurslag. In de stad leidt hij een rijk leven, tot al zijn goud op is. Als hij de vuurslag gebruikt om vuur te maken, verschijnt de ijzeren man, die alles voor de soldaat kan doen wat hij van hem vraagt. De soldaat wordt verliefd op de koningsdochter en vraagt de ijzeren man haar bij hem te brengen. De prinses probeert het huis waar zij heengaat te markeren, maar de ijzeren man is haar steeds te slim af, totdat de soldaat zich laat ontdekken. De soldaat krijgt de prinses tot vrouw. Na zeven jaar verschijnt de ijzeren man aan de soldaat en zegt hem met hem mee te gaan naar het onderaardse gewelf. Negen geesten onthoofden die nacht de ijzeren man en leggen hem in een kist. Als de soldaat het hoofd op de juiste plaats legt, verandert deze in een prins.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 42-45.
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
