Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2014 - De reis naar de koningsdochter

Een sprookje (boek), 1896

Leonardo_Diffusion_XL_a_hoop_a_bird_and_a_cork_2.jpg

Hoofdtekst

De reis naar de koningsdochter.
In den overouden tijd is er eens een koningsdochter geweest, die zoo bijzonder verstandig en welbespraakt was, dat alle wijze en geleerde mannen, die met haar aan het redekavelen kwamen, haar ten slotte het laatste woord moesten laten. Toen deze prinses zoover kwam met de jaren, dat zij wel een man wenschte te hebben, was haar vader van meening dat haar toekomstige echtgenoot haar in wijsheid en welsprekendheid behoorde te evenaren. Daarom liet de koning door zijn geheele rijk bekend maken, dat een jongeling, die in staat was met vernuftige reden zijn dochter vast te praten, haar tot zijn vrouw konde krijgen. Al spoedig kwamen een aantal begaafde jongelingen in de hofstad om de proef te wagen. De meesten hadden een zeer hoogen dunk van eigen bekwaamheid, maar de een na den ander moest met een blauwe scheen afdruipen.
Er woonden in dat land ook drie broeders in één gezin. Twee daarvan hadden veel geleerd en wisten bij alle voorkomende gelegenheden biizonder goed wat zij moesten zeggen of zwijgen. Maar de jongste, die Jan heette, was onwijs. De twee geleerde broeders besloten ook naar de hofstad te reizen en te beproeven of zij de prinses met vernuftige strikvragen niet tot zwijgen zouden kunnen brengen. En onwijze Jan zeî: «Dan ga ik ook meê.» - De broeders lachten en zeiden: «Wat wou jij daar doen ? Je bent immers onwijs. » - «Dat doet er niet toe,» zeî Jan, «ik ga toch meê.»
Den volgenden dag gingen ze met hun drieën op reis, ieder op een paard. Niet lang hadden ze gereden toen ze een dooden vogel aan den weg zagen liggen. «Hou!» zeî Jan; hij sprong van zijn paard om den vogel op te rapen. «Dwaas!» zeiden zijne broeders «wat wil je met dat kreng doen?» Jan zei: «Ik steek het in mijn tasch, het kan wel komen te pas.» Zij reden verder en na verloop van eenigen tijd zag Jan een deuvik op den weg liggen. «Hou!» zei hij, sprong van zijn paard en nam den deuvik op. «Wat wil je nu toch met dat ding?» zeiden zijne broeders. Jan zeide: «Ik steek het in mijn tasch, het kan wel komen te pas. » Na nog een eind weegs gereden te hebben zag Jan een hoepel op den weg liggen. «Hou!» zeî hij, sprong van zijn paard en nam den hoepel op. «Nu dat weêr,» zeiden de broeders; «wat denk je wel met dat ding te kunnen doen?» Jan zeide maar weêr: «Ik steek het in mijn tasch, het kan wel komen te pas.»
Zij kwamen ten langen leste in de hofstad en meldden zich aan bij het paleis des konings. De oudste der drie broeders werd het eerst bij de prinses toegelaten. Zij zat alleen in een kamer waar een groot vuur op den haard brandde en wees hem een stoel bij het vuur aan. Het was daar zeer warm. De prinses sprak geen woord; dit bracht den vrijer wel eenigszins in verlegenheid. Na eene poos gezwegen te hebben zeide hij, om het gesprek aan den gang te brengen: «Wat is het hier warm!» - «Ja » antwoordde zij, «maar in mijn hart is het nog veel warmer.» Hij wist niet wat daar op te zeggen en spoedig kreeg hij den wenk zich te verwijderen.
De tweede broeder kwam er even ongelukkig vandaan, en nu was de beurt aan onwijzen Jan. Hij nam zijn tasch met alles wat er in was mede; hij moest ook bij het groote vuur plaats nemen en begon al spoedig te zweeten, waarom hij zeide: «Wat is het hier warm!» - «Dat is het,» antwoordde de prinses, «maar toch nog niet half zoo warm als in mijn hart.» - «Welzoo ?» zeî Jan, terwijl hij den dooden vogel uit de tasch haalde, «dan zou ik dezen vogel er wel in kunnen braden.» - «O neen!» zeî zij, «dan zou het vet er uit loopen.» - «Geen zwarigheid,» zeî Jan, «ik heb wel een deuvik dien ik er in kan slaan; kijk maar hier!» - «O, maar dan zou het bersten,» hernam zij. «Welnu, daarvoor kan ik dezen hoepel er om slaan,» zeide Jan. Hierop wist de prinses niet te antwoorden; zij gevoelde zich overwonnen en riep wanhopig: «Vader! vader! het is verloren!» - «Neen,» zeide Jan, «het is gewonnen, waar al de anderen een vergeefsche reis om hebben gemaakt.»
Ieder erkende dat onwijze Jan aanspraak had op de hand der koningsdochter en zij met hem behoorde te trouwen. Nu, dit gebeurde dan ook. En toen de oude koning kwam te sterven was onwijze Jan troonopvolger. Hij stelde zijne twee broeders aan als zijne eerste staatsdienaars en zoo hebben ze samen lang en gelukkig geleefd.

Onderwerp

AT 0853 - The Hero Catches the Princess with her Own Words    AT 0853 - The Hero Catches the Princess with her Own Words   

ATU 0853 - The Hero Catches the Princess with her Own Words.    ATU 0853 - The Hero Catches the Princess with her Own Words.   

Beschrijving

Een koningsdochter is zo welbespraakt, dat zij altijd het laatste woord heeft. Haar vader wil voor haar een man die net zo slim is. Vele mannen dingen naar haar hand, maar geen van allen is welbespraakt genoeg. Drie broers willen eveneens hun geluk beproeven. De oudste twee zijn slim, maar de jongste, Jan, is onwijs. Op weg naar het paleis stopt Jan steeds om voorwerpen op te rapen: een dode vogel, een deuvik (kurk) en een hoepel. Op de vraag van zijn broers wat hij daarmee moet, antwoordt hij: “Ik steek het in mijn tas, het kan wel komen te pas”. De oudste broers gaan als eerste naar de prinses, beide falen. Als Jan bij de prinses is, zit hij naast een haard. “Wat is het hier warm,” zegt Jan. “Niet half zo warm als in mijn hart,” antwoordt de prinses. Jan stelt voor dat ze dan wel een vogel in haar hart kunnen braden. Op het bezwaar dat er vet uit zou lopen, biedt hij haar de kurk aan tegen het lekken en mocht deze barsten, dan heeft hij een hoepel voor haar. De prinses weet hierop niets te zeggen en Jan trouwt de prinses.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 48-50.

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20