Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2017 - Een hymphamp-houvast

Een sprookje (boek), 1896

Leonardo_Diffusion_XL_a_laughing_princess_0.jpg

Hoofdtekst

Een hymphamp-houvast.
Er was eens een arme knaap, die verhuurde zich als knecht bij een boer, voor een grauwe erwt in het jaar. Toen het jaar om was en de boer aan zijne dienstboden hun loon uitbetaalde, vroeg hij den knaap, of deze ook niet wat geld wilde hebben. Maar de knaap zeî: «neen, ik verlang niets anders dan een grauwe erwt.» - «Ga dan maar naar de schuur,» zeî de boer, «en zoek de grootste erwt die gij vinden kunt.» De knaap deed dit. Hij zocht een erwt zoo groot als een knikker; toen nam hij afscheid van den boer en vertrok. Nadat hij eene poos geloopen had kwam hij voorbij een boerenhuis, waarbij hij een prachtigen haan op het erf zag rondstappen. «Dien haan zoude ik wel gaarne willen hebben,» zeide hij tot de meid, die daar aan het werk was.» - «Dat geloof ik!» zeî de meid, «maar gij kunt niet half den prijs betalen, waarvoor de boer den haan zou willen missen.» De knaap zeide: «ik heb hier een grauwe erwt, die wil ik voor den haan werpen, met dit akkoord: pikt hij de erwt op, dan ben ik haar kwijt, maar laat hij de erwt liggen, dan zal de haan voor mij zijn.» De meid lachte en zeide: «nu, dat akkoord durf ik wel aannemen zonder den boer te vragen; toe maar!» De knaap wierp zijn erwt voor den haan en deze pikte de erwt op. De meid gierde het uit van lachen, maar de knaap begon te schreien en wierp zich op den grond, terwijl hij jammerde: «dat was mijn zuurverdiende loon waarvoor ik een geheel jaar gewerkt heb, dat ben ik nu zoo maar kwijt.» Zoo hield hij maar aan met schreien en klagen en bleef den geheelen dag daar op het erf liggen. Dit verveelde eindelijk den boer; hij zeî: «ik kan dat gekerm niet langer aanhooren; kom, jongen, neem dan liever den haan, en maak spoedig dat ge hier vandaan komt.»
De knaap sprong op van blijdschap. Hij ving den haan, nam hem onder den arm en reisde vandaar. Den volgenden dag kwam hij voorbij een prachtig heerenhuis, waarin een rijke edelman woonde. Op een grasperk vóór het huis zag hij daar een gouden bok grazen. Met den knecht, die daar aan het werk was, maakte hij een praatje en zeide: «ik wil mijn haan wel eens met dien bok laten vechten, met dit akkoord: als de bok mijn haan doodt ben ik hem kwijt, maar moet de bok den strijd verliezen, dan zal hij de mijne zijn.»
«Dat voorstel durf ik wel aannemen,» zei de knecht; «laat hen maar vechten.» Het kostte niet veel moeite de twee dieren aan het vechten te brengen. Zij vochten hevig en het duurde niet lang of de haan was dood. De knecht lachte van plezier, maar de knaap begon te schreien en weeklaagde: «dat was mijn zuurverdiende loon, waarvoor ik een geheel jaar gewerkt heb, dat ben ik nu zoo maar kwijt.» Hij wierp zich op den grond, hield maar aan met klagen en schreien en bleef zoo den geheelen dag op het plein liggen. Toen dit den edelman eindelijk begon te vervelen, zeî deze: «ik kan dat gehuil en gejank niet langer aanhooren; kom, jongen, neem dan maar liever den bok en pak je spoedig vanhier."
Nu was de knaap buiten zichzelven van blijdschap, en terwijl hij zich met den bok op reis begaf zeide hij: «ik heb het wel gedacht, dat een grauwe erwt een goed loon zou zijn.»
Den dag daarna kwam hij bij een boerenhuis waar eene meid en een knecht op het erf aan het werk waren. «O!» riep de meid den knaap toe, «wat heb je daar een mooien bok; mag ik dien wel eenige haren uit het lijf trekken?» - «Ja,» zeî de knaap, «ga je gang maar!» Zij greep met beide handen den bok in het haar, maar hoe vreemd! hare handen bleven daarin vast zitten. Zij kon ze niet los krijgen, ze deed wat ze deed, en was genoodzaakt tegen wil en dank meê te loopen. Zij riep aan den knecht, dat hij haar zou helpen. Nu, hij hield van deze meid meer dan van zijn eigen zuster, hij schoot toe en pakte haar met beide handen van achteren in de kleêren. Maar nu zaten ook zijne handen vast en hij moest evenals zij in gebogen houding meêloopen. Niet ver vandaar kwam het gezelschap langs eene schuur, waar een paar werklieden aan het dorschen waren. Deze zagen lachende het zonderlinge gezelschap voorbij trekken en een hunner riep: «ik zou wel lust hebben, dien vent met de graanschop voor zijn broek te slaan.» - «Welnu, ga je gang!» zeî de knaap. De dorscher kwam toegeloopen en gaf den kromloopenden boerenknecht een slag met de schop. Maar niet alleen bleef de schop vast zitten, de dorscher kon ook den steel er van niet loslaten. Hij riep zijn makker te hulp, deze kwam, pakte hem aan, maar zat nu ook vast, evenals al de anderen.
De knaap leidde welgemoed zijn bok met al den aankleve van dien naar de stad waar de koning woonde. Des konings eenige dochter was toen reeds een geruimen tijd zeer zwaarmoedig geweest. Niemand wist wat daarvan de oorzaak was en niets kon haar opvroolijken. Gedurende een geheel jaar had zij niet gelachen. Toen de knaap met zijn gevolg in de stad aankwam, was daar pas te voren bij trommelslag bekend gemaakt, dat iemand, die de prinses aan het lachen zou weten te brengen, met haar zoude mogen trouwen. Allerlei snaken en potsemakers hadden dit reeds vruchteloos beproefd, anderen gingen dit nu weêr beproeven, doch altijd met hetzelfde ongunstig gevolg. De knaap, dit vernomen hebbende, zond voor een fooi iemand naar den koning om dezen te doen weten, dat hij, de knaap, in de stad was aangekomen met een hymp-hamp-houvast,* en vergunning verzocht om dit spektakel, eenig in zijn soort, aan de prinses te vertoonen. Deze vergunning volgde oogenblikkelijk met het beleefd verzoek er bij, dat de vertooning zoo spoedig mogelijk mocht plaats hebben. En toen nu de knaap met zijn stoet de vensters voorbij trok, voor welken de zwaarmoedige prinses naar buiten zat te staren, begon zij op eens zoo uitermate te lachen, dat zij haast niet kon uitscheiden. En zoodra de koningsdochter, lachte, waren de boerenmeid en de knecht en de twee dorschers weêr los en vrij en zij mochten huiswaarts keren.
De prinses bleef sedert dien tijd vroolijk en opgeruimd, en de koning was daarmeê zoozeer in zijn schik, dat hij den armen knaap met haar liet trouwen. En toen de oude koning kwam te sterven, werd zijn schoonzoon koning en zijne dochter koningin. En toen kwam er een katje met een witten snuit en die blies het vertelseltje uit.

*Eene opeenstapeling van hoekige voorwerpen, die zich moeilijk laten samenvoegen en alzoo een onbehagelijke, soms ook eene ietwat potsierlijke massa vormen, noemt men in 't Friesch een hymphamp.

Onderwerp

AT 0571 - "All Stick Together."    AT 0571 - "All Stick Together."   

ATU 0571 - “All Stick Together”.    ATU 0571 - “All Stick Together”.   

Beschrijving

Een knecht vraagt als loon voor zijn werk niet meer dan een erwt. Als hij onderweg een haan ziet, wil hij deze graag kopen, maar de haan is te duur. Hij maakt een afspraak met de meid: als de haan zijn erwt opeet, heeft hij verloren, eet de haan de erwt niet, dan mag hij de haan hebben. De haan eet de erwt en de knaap begint te jammeren. De boer is hier na een tijd zat van en schenkt hem de haan. Dit herhaalt zich, als hij een gouden bok ziet, zijn haan verliest van de bok en na lang huilen wordt de bok hem geschonken. Een meid wil graag een haar van de bok uittrekken, maar blijft aan de bok kleven. De knecht, haar geliefde, probeert haar los te trekken, maar blijft ook vastzitten. Hetzelfde gebeurt met enkele werklieden die de knecht graag een klap met hun graanschop willen geven. De knaap komt met de stoet in een stad waar een koningsdochter al een jaar niet heeft gelachen. Als zij het vreemde gezelschap ziet, barst zij in lachen uit. Plotsklaps is iedereen weer los en de knecht mag met de prinses trouwen.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 55-58.

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20