Hoofdtekst
Eene oude spookvertelling.
Er was eens een boer bij wien de knechten altijd wegliepen omdat het in den koestal, waar zij moesten slapen, erg spookte. Des nachts dadelijk na twaalf uur hoorde men daar eenig gestommel op den zolder. Dan kwamen er vier mannen den trap af. De voorste hunner droeg een brandende kaars, de tweede een tafeltje, de derde en de vierde ieder twee stoelen. Zij gingen door den koestal in de schuur; ongeveer een kwartieruurs vertoefden zij daar en kwamen dan terug zooals zij er heengegaan waren. De boer behielp zich met werklieden, die 's avonds naar huis gingen; een inwonenden knecht kon hij niet meer krijgen. Maar eindelijk liet de man bekend maken: wie hem van de spokerij konde ontlasten zou rijkelijk worden beloond. Het duurde nogal even eer zich voor dat werk gegadigden kwamen aanbieden; maar eindelijk kwam er een jongmaatje, Hans geheeten, die wel eens een nacht in den koestal van den boer wilde doorbrengen. Dit gebeurde en des anderen morgens vertelde hij: «Ik heb van mijn bed af de spokerij begluurd; nu weet ik echter het rechte van de zaak nog niet, maar daar hoop ik wel achter te komen. Den volgenden nacht ga ik in de paardenkrib liggen, vanwaar uit ik in de schuur en op den dorschvloer kan zien.
Dit gebeurde. Des avonds, in plaats van naar bed te gaan, vlijde Hans zich in de paardenkrib neder. De spokerij ging des nachts haar ouden gang, maar Hans zag nu, dat het tafeltje op den dorschvloer werd nedergezet, de kaars er op en de stoelen er om geplaatst. Een der mannen ging naar een der dikke stijlen die het dak eener boerenschuur dragen, opende daarin een deurtje en haalde er een laadje uit. Dit was gevuld met geld, dat op het tafeltje werd uitgestort, en de mannen gingen met hun vieren zitten het geld te tellen. Toen 't gedaan was zeide een hunner, die de hoofdpersoon scheen te zijn: «Vrienden, het is er nog, tot den laatsten duit toe.» Hij vouwde de handen en de anderen deden dit ook. Hij opende nogmaals zijnen mond en bad: «Heer! wanneer zullen wij rust vinden? Hebben wij nog niet genoeg geboet?» Hierop stonden allen op; ieder nam wat hij te dragen had en langs hunnen gewonen weg gingen ze weêr naar den zolder.
Zoodra de dag was aangebroken wekte Hans den boer. «Kom meê,» zeî hij, «die lieden hebben overlast van geld. Dat mag immers niet langer!»
Het laadje werd spoedig gevonden en voorzichtig geledigd. Het geld werd geteld en hoeveel er was weet ik niet, maar wel dat Hans met de helft er van meer dan tevreden was als belooning voor zijne moeite.
Den volgenden nacht gingen Hans en de boer beide in de paardenkrib liggen. De vier mannen verschenen weêr en toen de hoofdpersoon het laadje ledig vond zeide hij duidelijk hoorbaar: «Heer, ik dank u! Nu kunnen wij rusten,» De drie anderen zeiden hem deze woorden na., Hierop gingen zij, ouder gewoonte, naar den zolder terug, maar hebben zich later nooit meer laten zien. Met de spokerij was het gedaan.
Er was eens een boer bij wien de knechten altijd wegliepen omdat het in den koestal, waar zij moesten slapen, erg spookte. Des nachts dadelijk na twaalf uur hoorde men daar eenig gestommel op den zolder. Dan kwamen er vier mannen den trap af. De voorste hunner droeg een brandende kaars, de tweede een tafeltje, de derde en de vierde ieder twee stoelen. Zij gingen door den koestal in de schuur; ongeveer een kwartieruurs vertoefden zij daar en kwamen dan terug zooals zij er heengegaan waren. De boer behielp zich met werklieden, die 's avonds naar huis gingen; een inwonenden knecht kon hij niet meer krijgen. Maar eindelijk liet de man bekend maken: wie hem van de spokerij konde ontlasten zou rijkelijk worden beloond. Het duurde nogal even eer zich voor dat werk gegadigden kwamen aanbieden; maar eindelijk kwam er een jongmaatje, Hans geheeten, die wel eens een nacht in den koestal van den boer wilde doorbrengen. Dit gebeurde en des anderen morgens vertelde hij: «Ik heb van mijn bed af de spokerij begluurd; nu weet ik echter het rechte van de zaak nog niet, maar daar hoop ik wel achter te komen. Den volgenden nacht ga ik in de paardenkrib liggen, vanwaar uit ik in de schuur en op den dorschvloer kan zien.
Dit gebeurde. Des avonds, in plaats van naar bed te gaan, vlijde Hans zich in de paardenkrib neder. De spokerij ging des nachts haar ouden gang, maar Hans zag nu, dat het tafeltje op den dorschvloer werd nedergezet, de kaars er op en de stoelen er om geplaatst. Een der mannen ging naar een der dikke stijlen die het dak eener boerenschuur dragen, opende daarin een deurtje en haalde er een laadje uit. Dit was gevuld met geld, dat op het tafeltje werd uitgestort, en de mannen gingen met hun vieren zitten het geld te tellen. Toen 't gedaan was zeide een hunner, die de hoofdpersoon scheen te zijn: «Vrienden, het is er nog, tot den laatsten duit toe.» Hij vouwde de handen en de anderen deden dit ook. Hij opende nogmaals zijnen mond en bad: «Heer! wanneer zullen wij rust vinden? Hebben wij nog niet genoeg geboet?» Hierop stonden allen op; ieder nam wat hij te dragen had en langs hunnen gewonen weg gingen ze weêr naar den zolder.
Zoodra de dag was aangebroken wekte Hans den boer. «Kom meê,» zeî hij, «die lieden hebben overlast van geld. Dat mag immers niet langer!»
Het laadje werd spoedig gevonden en voorzichtig geledigd. Het geld werd geteld en hoeveel er was weet ik niet, maar wel dat Hans met de helft er van meer dan tevreden was als belooning voor zijne moeite.
Den volgenden nacht gingen Hans en de boer beide in de paardenkrib liggen. De vier mannen verschenen weêr en toen de hoofdpersoon het laadje ledig vond zeide hij duidelijk hoorbaar: «Heer, ik dank u! Nu kunnen wij rusten,» De drie anderen zeiden hem deze woorden na., Hierop gingen zij, ouder gewoonte, naar den zolder terug, maar hebben zich later nooit meer laten zien. Met de spokerij was het gedaan.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Een boer heeft last van spoken in zijn stal. Knechten durven niet bij hem in te wonen omdat zij bang zijn voor de vier gedaanten die 's nachts van de zolder komen met een tafel, stoelen en een kaars. De boer looft een beloning uit voor degene die hem van de spoken kan verlossen. Hans durft het wel te wagen. Hij overnacht in de stal en ziet dat de gedaanten geld uit een schuilplaats halen en het tellen. Als ze zien dat alles er nog is, bidden ze God om te vragen wanneer ze genoeg geboet hebben. Hans en de boer halen het geld uit de schuilplaats en verdelen het. De volgende nacht komen de vier gestalten weer van de zolder. Als zij zien dat het geld weg is, danken ze God. De spokerij is voorgoed opgehouden.
Bron
Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 61-63.
Naam Overig in Tekst
Hans   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
