Onderwerp
AT 0301 - The Three stolen Princesses   
Beschrijving
The Three Stolen Princesses
Tekst
De koning is ontroostbaar nadat van de ene dag op de andere zijn drie dochters verdwenen zijn. Hij looft een beloning (de hand van een van hen) uit voor wie de prinsessen terugbrengt. De held, vaak een gedeserteerde soldaat, soms ook een uitzonderlijk sterke jonge man (de zoon van een vrouw en een beer bijvoorbeeld -- dan is er dikwijls een verband met -> Sterke Jan), gaat met twee metgezellen op zoek. Deze metgezellen hebben vaak buitengewone vaardigheden -- ze kunnen bijzonder goed horen, zien, hard lopen, en dergelijke (vergelijk de -> Zes wonderbaarlijke helpers) -- waar ze tijdens de zoektocht gebruik van maken.
Ze nemen op een afgelegen plaats hun intrek in een hut (molen) en elke dag blijft een van hen thuis om pannenkoeken te bakken terwijl de anderen er op uit trekken. De eerste twee thuisblijvers, de metgezellen, laten zich ieder door een dwerg (kabouter, zevenkoppige reus) van de pannenkoeken beroven. De derde dag blijft de held thuis. Hij weerstaat de dwerg en verwondt hem (trekt hem bijvoorbeeld zijn baard af).
Met zijn drieën volgen ze het bloedspoor en komen bij een diep gat. De metgezellen laten zich in een mand in de opening zakken maar vinden het gat veel te diep en laten zich weer ophalen. Dan gaat de held. Die komt beneden aan in de onderwereld, waar hij achtereenvolgens de drie prinsessen vindt, die in verschillende ruimten worden bewaakt door drie- en/of andere meerkoppige draken, reuzen of, zoals in een Friese variant, 'skodhollen' (schuddekoppen) die bij de prinsessen op het hoofd zitten. Met een zwaard dat daar aan de wand hangt en dat hij pas kan hanteren nadat hij een toverdrank heeft ingenomen, verslaat hij de draken één voor één en bevrijdt hij de prinsessen.
De eerste (jongste) prinses geeft hem een herkenningsteken; daarna laat hij hen in de mand optakelen door zijn metgezellen. Maar omdat hij deze niet helemaal vertrouwt, doet hij, als het tenslotte zijn beurt is, er een zware steen in. Zijn wantrouwen was terecht. Zijn makkers laten de mand vallen en dwingen de prinsessen thuis te vertellen dat zij hen gered hebben en een van hen (de eerste, jongste) toe te stemmen in een huwelijk met een van haar 'redders'. Haar vader stemt hiermee in, maar de prinses weet een jaar uitstel te bedingen.
De held intussen ontsnapt uit de onderwereld met behulp van de dwerg (die hij met een toverhoorn of -fluit heeft opgeroepen), twee honden of een adelaar, die hem op zijn rug neemt en naar het paleis vliegt. De tocht omhoog duurt zo lang dat onderweg hun eten opraakt en hij de adelaar met zijn eigen vlees moet voeden. Hij arriveert bij het paleis op de dag van de bruiloft van de prinses met haar 'redder'. Hij laat de honden gebak halen van de koninklijke tafel waarop de prinses hen herkent en hem laat halen, of hij meldt zich zelf en identificeert zich met het herkenningsteken. De bedriegers worden gestraft en de held trouwt met de prinses.
Het is niet goed mogelijk de inhoud van dit buitengewoon complexe sprookje -- er laten zich verschillende ruimer verspreide en vele meer regionale redacties van onderscheiden -- in een korte samenvatting recht te doen. Het bovenstaande is vooral gebaseerd op vijftien (vaak onvolledige) in Nederland verzamelde teksten. Het was hier, evenals in Vlaanderen (waar het 40 keer genoteerd werd), een van de bekendste wondersprookjes. Ook elders was het zeer geliefd. Uit Denemarken bijvoorbeeld kennen we het meer dan 130 keer, het aantal Duitse lezingen overstijgt de 140, de Ierse sprookjescatalogus somt er bijna 200 op en in Griekenland werden er 337 gevonden. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van Oost-Azië tot West-Europa en het komt eveneens voor in Amerika -- waar ook verschillende Indiaanse volkeren het van immigranten uit Europa overnamen -- en Afrika.
Zoals bij vrijwel elk wondersprookje is ook bij dit sprookje, dat tot de -> Drakendoder-sprookjes, de klassieke kern van dit genre, gerekend wordt, niet uit te maken waar en wanneer precies het voor de eerste keer verteld is. Kenmerkende motieven en episoden ervan zijn al heel oud, maar omdat die als het ware 'los' zweefden in de overlevering en gemakkelijk van het ene sprookjestype op het andere, van de ene literaire context naar de andere konden overspringen, moet men er zeer voorzichtig mee zijn om aan de hand van oude vindplaatsen van delen van sprookjes te concluderen dat pas later constateerbare uitgekristalliseerde sprookjestypen waarin zij ook een rol spelen dan ook wel zo oud zullen zijn. Ons sprookjestype van de 'Prinsessen in de onderwereld' duikt in uitgewerkte versies pas omstreeks 1700 op, in 1701 in een Zweeds handschrift en in 1709 tekende Antoine Galland (1646-1715), de eerste vertaler van de Duizend en één nacht (1704-1708), een Arabische variant op die later als het verhaal van de afgunstige broers een plaats in dit werk zou krijgen.
Aangezien deze twee lezingen niet alleen onderling sterk verschillen, maar ook nogal van de later meer gangbare redacties, zoals de hierboven samengevatte, mag niettemin aangenomen worden, dat het type ouder, zoal niet veel ouder is. Veel is hierover gespeculeerd. Theorieën zoals die van de gebroeders Grimm, die de nadruk legden op de kracht van de held en daarom een verband zagen met de Germaanse heldensage van Siegfried, of die van Friedrich Panzer, die uitging van Indogermaans erfgoed en sporen van het verhaal in het waarschijnlijk achtste-eeuwse Angelsaksische Beowulf-epos meende terug te kunnen vinden, zijn niet overtuigend. Even hypothetisch is het vermoeden van Carlo Ginzburg dat ons sprookje, of in elk geval het motief van de vogel die de held uit de onderwerld draagt, zeker 2000 v. Chr. als sjamanenoverlevering ergens tussen Kaukasus en Kaspische Zee is ontstaan. Al zit hij zonder dat te weten wel dicht bij de oudste overlevering van dit motief, want het is, verrassend in overeenstemming met veel jonge versies van de 'Prinsessen in de onderwereld', zij het ook in een heel andere verhalende context, al te vinden in de Oudbabylonische Etana-mythe (vanaf ca. 2400 v. Chr.). Ook daarin wordt de held Etana, de stichter-koning van de stad Kish, door een adelaar op zijn rug mee naar boven genomen.
Ook andere delen van ons sprookje kunnen bogen op een hoge ouderdom. Zo vertelt de Griekse mythograaf Konoon omstreeks het begin van onze jaartelling hoe een herder op zoek naar honing zich door een collega in een korf in een hol laat zakken en als hij zich door deze weer op wil laten halen uit voorzorg een steen in de korf doet. Inderdaad laat zijn metgezel de korf vallen. Hij komt weer uit zijn benarde positie door zich op advies van Apollo (hij kreeg dit advies in een droom) verwond en dood te houden. Gieren storten zich op hem en dragen hem naar boven.
In China lijkt dit sprookje eveneens oude voorstadia te kennen. Kan Pao vertelt omstreeks 320 n. Chr. hoe een demon de bruid van Chen Ming ontvoert naar een bodemloze grot. Mings buurman laat hem hier aan een touw in zakken. De buurman haalt dan wel de bruid op maar laat Ming zitten. In de Chinese middeleeuwen vinden we dan allerlei varianten van dit verhaal die, uiteraard ingebed in Chinese culturele contexten, verschillende motieven en episoden van de 'Prinsessen in de onderwereld' combineren. Zo duikt daar al in de negende eeuw een versie op van de in het oosten verder vrijwel onbekende pannenkoek-episode.
Of daarmee echter een Chinese oorsprong van dit sprookjestype gegeven is, blijft nog de vraag. Het is voorzichtigheidshalve misschien het beste als werkhypothese de mening van Waldemar Liungman te kiezen. Hij gaat uit van het ontstaan van ons sprookje als een afgebakend zelfstandig geheel na circa 300 ergens in het Byzantijnse rijk uit een combinatie van al langer circulerende motieven. In de eeuwen na 300 zullen zich her en der, oost en west verschillende redacties van het uiteindelijk pas in de negentiende eeuw herkenbaar uitgekristalliseerde type ontwikkeld hebben. De buitengewoon rijke en complexe overlevering ervan van de Balkan af oostwaarts -- veel complexer dan de Westeuropese -- ondersteunt deze hypothese.
In deze ontwikkelingen lijkt ook Jacob van Maerlants roman Torec (ca. 1262) een rol gespeeld te hebben. In een nevenepisode daalt Melion aan een touw af in een grot om een door een dwerg geroofde prinses te bevrijden. Hij doodt de dwerg met zijn eigen zwaard met één slag en laat zijn vriend de prinses ophalen. De trouweloze vriend laat hem echter zitten, maar met de hulp van een paard, twee honden en twee havikken weet Melion een uitweg naar boven te vinden (vs. 399 e.v.).
Het sprookje van de 'Prinsessen in de onderwereld' kende na 1800 zowel een mondelinge als een schriftelijke overlevering. De Duizend en één nacht-versie had zijn invloed, in Scandinavië en Oost-Europa circuleerde de stof in volksboeken en ook de tekst uit de Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm (nr. 91: 'Dat Erdmänneken', 1815, uit de omgeving van Paderborn) werkte in op de mondelinge overlevering. De oudste Nederlandse tekst vinden we in het zogenaamde Boek van Trijntje Soldaats, een schriftje waarin Gerrit Arend Arends uit het Groningse Ezinge in 1804 -- hij is dan elf jaar oud -- de verhalen van de naaister van zijn ouders, Trijntje Wijbrands (1749-1814), had opgetekend.
Literatuur
Teksten: KHM 91; Huizenga-Onnekes 1928, p. 67-75; Huizenga-Onnekes 1930, p. 21-25; Janissen 1979, p. 153-155; Van der Kooi 1979a, nr. 18; De Meyere 1925-1933, p. 11-30; Poortinga 1976, p. 138-140; Poortinga 1979, p. 38-41; Poortinga 1981, p. 93-98, 201-207; Sinninghe 1933a, p. 329-333; Stalpaert 1977, p. 55-70; Tinneveld 1976, nr. 5, 183.
Studies: AT 301, 301A, 301B; Sinninghe 1943a, p. 19; VDK p. 310-311; De Meyer 1968, p. 33-36; EM s.v. Die drei geraubten -> Prinzessinnen; Scherf 1995, 1, p. 113-116, 177-182, 273-278; 2, p. 844-847, 1192-1195, 1244-1247; BP 2, p. 297-318; Ginzburg 1990, p. 258-261; Van der Kooi 1993b, p. 163; Levin 1994; Liungman 1961, p. 43-47; De Meyer 1942, p. 20-38; Panzer 1910; Ting 1970.
Studies: AT 301, 301A, 301B; Sinninghe 1943a, p. 19; VDK p. 310-311; De Meyer 1968, p. 33-36; EM s.v. Die drei geraubten -> Prinzessinnen; Scherf 1995, 1, p. 113-116, 177-182, 273-278; 2, p. 844-847, 1192-1195, 1244-1247; BP 2, p. 297-318; Ginzburg 1990, p. 258-261; Van der Kooi 1993b, p. 163; Levin 1994; Liungman 1961, p. 43-47; De Meyer 1942, p. 20-38; Panzer 1910; Ting 1970.
